Foto: Jac. de Nijs (Anefo)
actueel

Folia 70: rendementsdenken avant la lettre

Henk Strikkers,
5 oktober 2018 - 12:32

Folia bestaat deze maand 70 jaar. Daarom blikken we dagelijks terug met een artikel uit ons archief. We beginnen bij onze oprichting en bewegen naar het nu. Vandaag: rendementsdenken bestond nog niet in de jaren vijftig, maar desalniettemin analyseert onderwijsstatisticus Philip Idenburg in Folia ‘het universitair rendement’.

Het studie-rendement van enige studentengeneraties

24 januari 1959 - Prof. dr. Ph. J. Idenburg

 

Dit artikel is gewijd aan een statistisch onderzoek, dat door het Centraal Bureau voor de Statistiek werd ingesteld naar het studie-rendement van enige na-oorlogse studentengeneraties. Het is analoog aan de onderzoekingen ervan dit Bureau naar het rendement van verschillende schooltypen bij het voortgezet onderwijs. Daarbij werd dan nagegaan hoe een of meer leerlingengeneraties de scholen doorlopen: een deel der leerlingen bereikt de achtereenvolgende leerjaren zonder vertraging en slaagt aanstonds voor het eindexamen, anderen bereiken het einddoel met vertraging, weer anderen staken de opleiding na een of meer jaren zonder diploma.

Foto: Hoogleraar Philip Idenburg

Het werd nu van belang geacht ook eens na te gaan welke resultaten de studenten van universiteiten en hogescholen in de vorm van geslaagde examens weten te boeken en hoe lang zij daarvoor nodig hebben. Dat kon voor mannen en vrouwen en voor de verschillende faculteiten en studierichtingen afzonderlijk worden vastgesteld. Er was, omdat het Centraal Bureau voor de Statistiek reeds lang op  dit gebied werkt, een vergelijking met enkele vooroorlogse studentengeneraties mogelijk. Nog andere bijzonderheden, zoals de eindexamencijfers en het sociaal milieu der studenten, konden in het onderzoek worden betrokken.

 

Voor ik daarvan nog een en ander mededeel, moet ik evenwel erkennen dat de titel boven dit stuk tot op zekere hoogte misleidend, het woord studierendement enigermate misplaatst en de vergelijking met de scholen voor v.h.mo. niet geheel toepasselijk is. Immers de universiteit is geen school gelijk de genoemde en de vruchten der studie kunnen slechts zeer ten dele aan de hand van de examenresultaten worden bepaald. Daarbij is het aantal jaren, dat voor het afleggen van een examen verloopt, een gegeven, hetwelk zeer uiteenlopende interpretaties toelaat. Over deze punten zullen wij het wel eens zijn. Wanneer in het navolgende over de examenresultaten en het daaruit afleesbare rendement wordt gesproken alsof het eenduidige en meetbare grootheden zouden zijn, geschiedt dit dan ook met de reserve, welke uit de zo juist vermelde overwegingen voortvloeit. Maar dit voorbehoud sluit niet uit dat aan de hand van een kwantificering, zoals hier werd ondernomen, enkele belangrijke aspecten van leven en werk onzer hoger-onderwijsinstellingen kunnen worden belicht. Met alle beperkingen, welke de beschikbare informatie aan een statistisch onderzoek als het onderhavige aanlegt, vermag het toch tendenties van de universitaire studie aan de dag te brengen, welke kunnen prikkelen tot overweging en verder onderzoek. Met name kunnen — zoals zal blijken enkele factoren naar voren worden gebracht, welke studieduur en studierendement kennelijk beinvloeden.

Het ‘universitair rendement’ ligt na zesenhalf jaar voor mannen op 64 procent en voor vrouwen op 61 procent

Studieresultaten

Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft de studieresultaten nagegaan van de gezamenlijke studentengeneraties 1948, 1949 en 1950 d.w.z. van de studenten, die zich in die jaren voor het eerst aan een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs (volledig) lieten inschrijven. Het totaal aantal studenten, wier gegevens werden waargenomen, bedraagt ruim 12.400. Het onderzoek strekte zich over zesenhalf jaar uit. Deze periode is onvoldoende voor de waarneming van het volledig studieresultaat.

 

Maar de resultaten tot en met het kandidaatsexamen kunnen in deze periode over 't algemeen behoorlijk worden overzien. Een uitzondering vormen slechts de technische wetenschappen, waar ook na zesnenhalf jaar nog vele kandidaatsexamens met succes worden afgelegd.

 

Het Centraal Bureau voor de Statistiek had in zijn publicatie natuurlijk ook reeds de doctoraalexamens kunnen vermelden, welke binnen de zesenhalf jaar zijn afgelegd, maar het bewaarde de gegevens dienaangaande terecht tot een later tijdstip wanneer het grootste deel van deze oogst zal zijn binnengehaald en de cijfers doen zien dat niet veel nakomers meer te wachten zijn. In deze eerste uitgave is „rendement" dus het percentage studenten, dat binnen zesenhalf jaar geslaagd is voor het kandidaatsexamen in de faculteit van hun eerste inschrijving.

Ik zal dit — in onderscheiding van het hierna te noemen begrip — „faculteitsrendement" noemen. Er zijn evenwel studenten, die na korter of langer tijd van studie veranderen en voor het kandidaatsexamen in een andere faculteit slagen. Het aantal geslaagden in de oorspronkelijke en een andere faculteit tezamen bepaalt het „universitair rende- ment". Het ligt resp. 4% (voor mannen) en 3% (voor vrouwen) hoger dan het faculteitsrendement".

Een aantal technische studenten slaagt, zoals reeds werd opgemerkt, nog na de onderzochte zesenhalf jaar

Kerncijfers

Het ‘universitair rendement’ ligt na zesenhalf jaar voor mannen op 64 procent en voor vrouwen op 61 procent. Of omgekeerd: het verloop is voor mannen 36 procent en voor vrouwen 39 procent.

 

Met deze sombere constatering is echter niet het laatste woord gezegd. Er zijn enkele gegevens, welke deze cijfers in een wat roziger daglicht kunnen zetten.

 

Vooreerst dienen wij in gedachten te houden dat een aantal technische studenten, zoals reeds werd opgemerkt, nog na de onderzochte zesenhalf jaar voor het kandidaatsexamen slaagt. Bezien wij het hoger onderwijs exclusief Delft dan bedraagt het universitair rendement voor de mannen niet 64 procent maar 69 procent. Het aantal vrouwelijke technische studenten is te gering om het in deze berekening te betrekken. Vervolgens zijn er een aantal studenten, die volledig worden ingeschreven maar geen diploma bezitten, dat hun examenbevoegdheid verleent. Zij studeren bijv. voor een middelbare akte.

 

Ook een aantal buitenlandse studenten behoort tot deze categorie. Zij richten hun studie vaak niet op een examen doch verblijven enkele jaren aan een universiteit of hogeschool uitsluitend ter verrijking van hun kennis en inzicht. Deze groep drukt eveneens het universitair rendement. Schakelen wij van onze cijfers degenen uit, die geen Nederlands v.h. m.o.-diploma hebben, dan stijgt het universitair rendement tot 65 procent (mannen) en 64 procent (vrouwen). Voor een faculteit als die van de letteren en wijsbegeerte is deze correctie van veel belang. Haar universitair rendement stijgt erdoor van 66 procent (mannen) en 51 procent (vrouwen) tot 73 procent (mannen) en 57 procent (vrouwen).

Ongeveer 15 procent van de eerstejaarsstudenten keert na een jaar niet terug in de faculteit, waarin ze waren ingeschreven

Uitval

Ik gevoel behoefte het rendementscijfer nog op een derde wijze te belichten. Een aanzienlijk deel van het verloop valt aanstonds tijdens of na het eerste studiejaar. Ongeveer 15 procent van de eerstejaarsstudenten keert na een jaar niet terug in de faculteit, waarin ze waren ingeschreven. De meesten van hen verdwijnen geheel. Hun aantal valt niet precies vast te stellen. Wij moeten met een schatting volstaan. Wanneer men deze categorie studenten, zo goed en zo kwaad als het gaat, uit de cijfers elimineert, stijgt het universitair rendement van de overblijvenden tot boven de 70 procent.

 

Er zijn twee redenen, waarom ik op dit facet de aandacht vestig. Vooreerst omdat de financiële rendementsberekening onzer hogeronderwijsinstellingen hieraan aandacht moet schenken. Terecht wijst men op de economische schade van een groot verloop. Maar de studiejaren, waarin de studenten kostbaar worden, zijn in de regel niet de eerste maar de latere. Het verlies van eerstejaars weegt financieel aanmerkelijk minder dan dat van meer gevorderden.

 

Niettemin moeten wij doen wat mogelijk is om de mislukkingen te beperken. De economie der talenten eist dit. De geboden cijfers wijzen erop, dat pogingen tot verhoging van het studierendement zich in de eerste plaats moeten richten op de studenten in hun eerste jaren (studiebegeleiding, werkcolleges).

Pogingen tot verhoging van het studierendement dienen zich in de eerste plaats te richten op de studenten in hun eerste jaren

Dat is de tweede reden waarom ik op deze cijfers wijs. Nu een vergelijking van de recente cijfers met die uit het verleden nl. met de generaties 1930-1932. De gemiddelde studieduur tot het kandidaatsexamen is niet of niet noemenswaardig toegenomen in de faculteiten der rechtsgeleerdheid, geneeskunde, letteren en wijsbegeerte en economie. Met gemiddeld 3 à 4 maanden is hij toegenomen in de faculteit der wis- en natuurkunde en in de technische wetenschappen. Presteren de studenten nu minder

dan voorheen? Het faculteitsrendement ligt thans gemiddeld ongeveer 5 procent lager dan bij de voor-oorlogse studentengeneraties.

 

De vooropleiding en de eindexamencijfers

Er is een nauw verband tussen vooropleiding en studierendement. Onafhankelijk van de faculteit, waarin de studenten thuis behoren doch exclusief Delft, is het universitair rendement voor de studenten met het diploma h.b.s.AH.b.s. is vergelijkbaar met atheneum met een alfa-richting, h.b.s.B met een bèta-richting. 55 procent, met h.b.s.B 71 procent, met gymnasium alfa 78 procent en met gymnasium beta 84 procent. Dit zijn de cijfers voor de mannen. Bij de vrouwen vertonen zich overeenkomstige verschillen. Wanneer wij uit deze vier opleidingsvormen de resultaten van de abituriëntenEen abituriënt is een geslaagde examenkandidaat. van de h.b.s.B en die van het gymnasium beta met elkaar vergelijken, blijkt het rendement van de tweede categorie die van de eerste te overtreffen. Ook haar studieduur is korter. Nu zou men erop kunnen wijzen. dat de studenten van de verschillende vooropleidingen naar milieu verschillen. Dit is juist. Maar dat wij hier met een zelfstandige factor te doen hebben, blijkt hieruit dat de vermelde verschillen blijven gelden wanneer de milieufactor wordt geëlimineerd.

Het gemiddelde eindexamencijfer voor de moderne talen en het faculteitsrendement vertonen een onmiskenbare samenhang

Bijzonder belangwekkend is het verband tussen het rendement en de eindexamencijfers. Het gemiddelde eindexamencijfer voor de moderne talen en het faculteitsrendement vertonen een onmiskenbare samenhang. Evenzo het genoemde eindexamencijfer en de studieduur. De intensiteit van het verband verschilt per faculteit. Maar de verschillen liggen merkwaardigerwijze niet tussen de a- en de b-faculteiten. Bijzonder sprekend is het verband juist in de faculteiten der wis- en natuurkunde en der geneeskunde en in de technische wetenschappen. Daarentegen blijkt de invloed van het wiskundecijfer op rendement en studieduur gering te zijn wanneer dit vak in de academische studie van minder belang is bijv. bij de rechtsgeleerdheid. Uitgesproken hoge wiskundecijfers geven een duidelijk beter resultaat bij de wis- en natuurkunde en de techniek.

De vrouwen uit het lager milieu leggen een hoger rendement aan de dag dan die uit het hoger en middelbaar milieu

Hierbij zij opgemerkt dat de gevonden invloed van het talen- resp. wiskundecijfer slechts in beperkte mate tot eenzelfde algemene begaafdheidsfactor kan worden teruggevoerd; bijna de helft der studenten heeft lagere cijfers voor de ene en hogere voor de andere groep vakken. Men zou uit de gegevens misschien kunnen afleiden dat het talencijfer in sterkere mate de algemene intelligentie representeert terwijl het hoge wiskundecijfer minder op algemene intelligentie dan op meer gespecialiseerde aanleg wijst. Maar een dergelijke veronderstelling vereist stellig nog nadere verificatie.

 

Sociaal milieu

De faculteits-rendementscijfers zijn voor drie sociale milieus afzonderlijk berekend. Het onderwerp is van bijzonder gewicht omdat er nog steeds velen zijn, die een dalend rendement aan toenemende ‘democratisering’ toeschrijven. Uit deze cijfers blijkt daarvan niet, evenmin als zulks trouwens bij het rendement van het v.h.m.o. het geval is. De thans gepresenteerde gegevens vertonen, wanneer men alle faculteiten, exclusief de technische wetenschappen, samen neemt, bij de mannen voor het hoger, middelbaar en lager milieu geen verschil. De vrouwen uit het lager milieu leggen een hoger rendement aan de dag dan die uit het hoger en middelbaar milieu; ze vormen kennelijk een meer geselecteerde groep. Neemt men nu enkele grote faculteiten afzonderlijk dan blijkt bij de wis- en natuurkunde het rendement duidelijk hoger naarmate het milieu lager is. Dit geldt ook voor de technische wetenschappen, die in het bovengenoemde totaal niet waren opgenomen. Bovendien is het tempo van de studie aanzienlijk trager naarmate het milieu hoger is. Zo komen de Delftenaren uit het hoogste milieu naar schatting gemiddeld een vol jaar achter hun collega's uit het laagste aan.

 

Slotbeschouwing

Deze gegevens vormen een selectie uit het materiaal, dat in de C.B.S.-publicatie is bijeengebracht. Ze zullen tot veel discussie aanleiding kunnen geven. Ik heb mij, ook al om daaraan geen ruimte te verliezen, in de interpretatie der verschijnselen beperkt. Maar er blijven, nu met deze uitgave een begin is gemaakt, reeksen vragen, waarop wij ‘bij voortzetting van deze onderzoekingen gaarne antwoord zouden ontvangen. Ik zou uit de voorraad eindexamencijfers bijv. gaarne die der klassieke talen naar voren gebracht en met de studieresultaten in verband gebracht zien. Voorts zullen onder gebruikmaking van de methoden der wiskundige statistiek allerlei facetten van dit — straks uitgebreidere — materiaal nader kunnen worden onderzocht. Het zou prettig zijn wanneer een aantal lezers deze eerste publicatie eens in bijzonderheden zou willen bestuderen en de onderzoekers met hun suggesties en kritiek van dienst zou kunnen zijn.