Foto: Fotograaf onbekend (Anefo)
actueel

Folia 70: wie studeerden er in de jaren vijftig aan de UvA?

3 oktober 2018 - 06:00

Folia bestaat deze maand 70 jaar. Daarom blikken we dagelijks terug met een artikel uit ons archief. We beginnen bij onze oprichting en bewegen naar het nu. Vandaag: wie studeerden er precies aan de UvA in de jaren vijftig? In 1956 voerde Folia samen met de gemeente een groot onderzoek uit naar wie studenten waren en wat ze deden. ‘Van de ouderejaars was 16 procent gehuwd of gehuwd geweest en wel 16,9 procent der mannen en 13,5 procent van de vrouwen.’

Enige statistische gegevens over de studenten ingeschreven aan de universiteit van Amsterdam 1955-1956

2 februari 1957

 

Evenals vorige jaren heeft het Bureau van Statistiek der gemeente Amsterdam de gegevens bewerkt, die de studenten bij de inschrijving voor het jaar 1955-’56 verstrekten. Wij ontlenen hieraan het volgende:

 

Totaal aantal studenten in Nederland

De toeneming van het aantal studenten in Nederland, die nadat dit aantal enige jaren wat was teruggelopen, in 1954-’55 voor het eerst weer optrad, zette zich in 1955-’56 voort, en wel in dezelfde mate nl. met 3 procent. Het totaal aantal studenten is hiermede gestegen tot 29.400.

 

Evenals vorig jaar gold de toeneming zowel voor de ouderejaars als voor de eerstejaarsstudenten, maar voor de eerstejaars, wier aantal in 1954-‘55 het aantal van het voorafgaande jaar met 14 procent overtrof, is in de stijging ditmaal minder sterk en bedroeg zij in totaal 348 of 7,2 procent.

 

Bijna de helft van de stijging van het aantal eerstejaarsstudenten kwam voor rekening van de Technische Hogeschool in Delft, waar het aantal eerstejaars met 165 of ruim 20 procent toenam.

 

(Lees verder onder de infographic)

Kerkelijke gezindte

Uit het staatje blijkt, dat onder de studerenden te Amsterdam het percentage lager ligt dan onder alle Amsterdammers van ongeveer dezelfde leeftijd, doch hoger dan onder de academisch gevormden, die hun opleiding te Amsterdam ontvingen.

 

(Lees verder onder de infographic)

Dit verschil met de Amsterdammers van 20 tot en met 29 jaar wordt beïnvloed door het feit, dat het percentage onkerkelijken te Amsterdam hoger ligt dan in de meeste andere streken van Nederland en bovendien onder de arbeiders hoger dan onder de rest der bevolking en het aantal studenten uit arbeiderskringen zeer gering is.

 

Voor alle kerkgenootschappen ligt het percentage onder de studenten hoger dan onder de gehele bevolking behalve voor de Rooms-Katholieken en t.a.v. de vrouwelijke studenten ook voor de gereformeerden. Zij, die tot een dezer richtingen behoren, bezoeken veelal een universiteit of hogeschool van deze richting.

Naar verhouding zijn vooral de percentages Doopsgezinden, Remonstranten, en Joden onder de studenten belangrijk hoger dan onder de gehele bevolking

Naar verhouding zijn vooral de percentages Doopsgezinden, Remonstranten, en Joden onder de studenten belangrijk hoger dan onder de gehele bevolking. Het percentage welgestelden is onder deze groepen groter dan onder de andere bevolkingsgroepen en daardoor ook het aantal studerenden.

 

Onder de afgestudeerden zijn er naar verhouding nog weer méér Doopsgezinden en Remonstranten dan onder de studenten, hetgeen er wel op wijst, dat deze milieus onder de studenten vroeger nog veel meer overheersten dan thans.

 

Lidmaatschap van gezelligheidsverenigingen

Aan alle studenten wordt bij de inschrijving gevraagd van welke studentenvereniging zij lid zijn of denken te worden. Wil men echter een goed beeld krijgen van de betekenis van de verenigingen in het studentenleven, dan is het beter hierbij niet alle studenten te betrekken. De eerstejaars weten vaak nog niet precies welke vereniging zij kiezen zullen en onder de ouderen zijn velen, die van deze kant van het studentenleven genoeg geprofiteerd hebben en zich uit het verenigingsleven hebben teruggetrokken.

 

In het navolgend staatje zijn daarom alléén gegeven het aantal leden van de diverse verenigingen onder de tweede- en derdejaarsstudenten, een groep, van wie men zeggen kan, dat zij in het volle studentenleven staan.

 

(Lees verder onder de infographic)

Militaire Dienstplicht

Meer dan 24 procent der mannelijke eerstejaarsstudenten had vóór de aanvang der studie reeds de militaire dienstplicht vervuld. Een groot aantal van hen, nl. 57 of ruim 40 procent, had twee jaar tevoren in 1953, eindexamen gedaan en is dus waarschijnlijk dadelijk ná dit examen opgeroepen. Van de ouderejaars was een veel kleiner aantal nl. 11 procent voor de aanvang van de studie reeds onder dienst geweest.

 

De ouderen hebben veelal wat gemakkelijker uitstel kunnen krijgen. Van de ouderejaars was 17 procent tijdens de studie onder dienst geweest. Het percentage afgekeurden bedroeg voor de ouderejaarsstudenten 22, hetgeen veel meer was dan voor de eerstejaars, voor wie het 16 procent bedroeg. Onder de eerstejaars waren evenwel uiteraard méér, die bij de inschrijving of nog niet dienstplichtig of nog niet opgeroepen waren, nl. ruim 50 procent terwijl voor de ouderejaars dit percentage 25 bedroeg.

Van de ouderejaars was 16 procent gehuwd of gehuwd geweest en wel 16,9 procent der mannen en 13,5 procent van de vrouwen

Burgerlijke staat

Van de ouderejaars was 16 procent gehuwd of gehuwd geweest en wel 16,9 procent der mannen en 13,5 procent van de vrouwen.

 

Onder de eerstejaars, die nog niet elders studeerden lagen deze percentages uiteraard veel lager. Toch was van de mannelijke eerstejaars nog 8,2 procent gehuwd of gehuwd geweest en van de vrouwelijke 3,9 procent.

 

Eerstejaars wier vader eveneens een academische opleiding had genoten

Het aantal eerstejaars wier vader ook een academische opleiding had gehad en welk aantal vorig jaar veel hoger lag dan het jaar daarvoor, liep thans weer terug. Voor de mannelijke eerstejaars bedroeg het 120 of 21 procent, voor de vrouwelijke 108 of 42 procent (vorig jaar resp. 25 en 39 procent).

 

Ieder jaar blijkt weer, dat bij de keuze der studie een sterke traditie heerst. Het percentage studenten, dat een bepaalde studierichting kiest is onder hen wier vader in diezelfde richting heeft gestudeerd steeds groter dan onder alle eerstejaarsstudenten. Zo gingen van de eerstejaars, die zoons waren van juristen 25 procent in de Rechten studeren, terwijl van alle eerstejaars dit percentage slechts 6,2 bedroeg.

 

Milieu

Teneinde iets te weten te komen omtrent het milieu waaruit de studenten afkomstig zijn wordt aan allen bij de eerste inschrijving gevraagd, wat het beroep van hun vader is. Aan de hand van deze gegevens wordt telkenjare een indeling gemaakt van de eerstejaarsstudenten naar het milieu. Een indeling is hier gemaakt in 13 groepen. Onder 1 vallen de meeste academisch gevormden, predikanten, rechters, advocaten, leraren, hoogleraren, artsen, ingenieurs e.d., benevens leden van hoge colleges van staat, hoger overheidspersoneel, burgemeesters etc. Met groepen 2 en 2 – leiders N.V.’s en fabrikanten en hoger personeel in particuliere bedrijven – omvat deze groep de zgn. ‘hogere milieus’ onder de ‘middelbare milieus’ worden gerekend de groepen 4 t/m 8 en onder de ‘lagere’ de nos. 9, 10 en 11.

 

(Lees verder onder de infographic)

De percentages eerstejaars, die tot deze milieus behoren tonen van jaar op jaar wel eens afwijkingen, maar deze zijn toch niet zodanig, dat daaruit vele conclusies kunnen getrokken worden. In het afgelopen jaar behoorden 46 procent der mannelijke en 68 procent der vrouwelijke eerstejaars tot de ‘hogere milieus’. Zoals gewoonlijk lagen deze percentages voor de studenten afkomstig uit Amsterdam lager nl. resp. 39 procent en 64 procent en voor de ‘kamerstudenten’ het hoogst nl. resp. 54 procent en 75 procent. Voor de laagste welstandsklasse geldt juist het omgekeerde. Hiertoe behoorden van de studenten uit Amsterdam 19 procent  der mannen en 6 procent der vrouwen en van de ‘kamerstudenten’ resp. 9 procent en 2 procent. Zij die in Amsterdam bij hun ouders wonen kunnen uiteraard goedkoper leven dan zij die te Amsterdam kamers moeten huren. Het is dus niet te verwonderen, dat deze laatste groep in het algemeen beter gesitueerd is dan de Amsterdamse studenten.

Van de mannelijke studenten was 57 procent en van de vrouwelijke 31 procent van geen enkele vereniging lid

Conclusies

Het aantal studenten der Stedelijke Universiteit van Amsterdam laat, nadat het een aantal jaren regelmatig was gedaald en het vorige jaar vrijwel constant was gebleven, in 1955-’56  voor het eerst weer een toeneming zien en wel van 6403 in 1954-’55 op 6576 in 1955-’56 of met 2,5 procent. Deze toeneming gold voor alle faculteiten behalve voor die der rechtsgeleerdheid en der geneeskunde. De belangstelling voor deze beide faculteiten loopt al verscheidene jaren regelmatig achteruit.

 

Sedert 1950-’51, toen het totaal aantal studenten der Universiteit van Amsterdam met 7043 inschrijvingen een hoogtepunt bereikte, daalde van de juridische faculteit het aantal studenten met 22 procent terwijl het totaal aantal studenten in 1955-’56 slechts 9 procent minder was dan in 1950-’51. De belangstelling voor de faculteiten der wis- en natuurkunde, letteren en wijsbegeerte en de verenigde faculteiten der wis- en natuurkunde en letteren en wijsbegeerte is in deze 5 jaren wél toegenomen, bij de andere faculteiten wijkt het aantal inschrijvingen in 1955-’56  niet veel van het aantal van 1950-’51 af.

 

Van de tweede- en derdejaarsstudenten is nagegaan of zij lid waren van gezelligheidsverenigingen of andere studentenorganisaties. Van de mannelijke studenten was 57 procent en van de vrouwelijke 31 procent van geen enkele vereniging lid.