Foto: macadam13 (cc, via Pixabay)
actueel

Folia 70: studenten hebben weinig seksuele ervaring

Marleen Hoebe,
18 oktober 2018 - 13:07

Folia bestaat 70 jaar. Deze maand blikken we dagelijks terug met een artikel uit ons archief. Vandaag: onderzoek naar seksualiteit onder bijna zeshonderd eerstejaarsstudenten. Zestig procent bleek nog maagd te zijn en negen procent had nog nooit gezoend. ‘Studenten lopen wat betreft hun seksuele ervaring duidelijk achter.’

‘Seksueel zijn studenten LTS-ers’

Medici leren pas laat doktertje spelen

21 januari 1984 - Ewoud Sanders

 

Twee weken geleden publiceerde het Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek (Nisso) een onderzoek over seksualiteit onder eerstejaarsstudenten. Voor niet-ingewijden waren de resultaten verrassend. Negen procent van de studenten bleek nog nooit te hebben gezoend. Zestig procent was nog maagd en 25 procent - voor het merendeel meisjes - zei nog nooit te hebben gemasturbeerd. Betekende dit dat met het oprukken van goede vormen en manieren ook de Nieuwe Kuisheid was ingetreden? Een roemloos einde van de Seksuele Revolutie? ‘Welnee,’ weet een expert op dit terrein, ‘er is al tien jaar nauwelijks meer iets veranderd. Wat betreft seksualiteit is de universiteit een soort LTS. Want terwijl de lagere sociaal-economische groep de eerste seksuele ervaring opdoet in de laatste klassen van het lager onderwijs, doen de hoger sociaal-economische groepen dat pas op de universiteit. Studenten lopen wat betreft hun seksuele ervaring duidelijk achter.’ En het verhaal dat studenten deze late start met grote voortvarendheid proberen in te halen bleek ook al niet te kloppen. ‘Studenten zijn niet monogaam, dat is waar,’ weet een studentenarts. ‘Maar van de hen toegedichte promiscuïteit heb ik nooit iets kunnen ontdekken.’

 

‘Doktertje spelen’ heet het onderzoek. Het telt 122 bladzijden en is uitgebracht door het Nisso. Bijna zeshonderd eerstejaarsstudenten, in leeftijd variërend van 17 tot 21, werden voor dit onderzoek ondervraagd. Het merendeel van hen studeert geneeskunde aan de universiteiten van Leiden, Utrecht, Rotterdam of Amsterdam (de Vrije Universiteit). Door middel van een uitgebreide enquête probeerden de onderzoekers inzicht te krijgen in seksuele kennis en ervaring van studenten. Ook over hun houding ten opzichte van seksualiteit werden de studenten aan de tand gevoeld. Doel van dit alles is de docenten seksuologie een duidelijker beeld te geven van hun studenten. Want in de praktijk stuiten de seksuologen op nogal wat problemen. Studenten hebben bijvoorbeeld of te weinig kennis van zaken om de colleges te kunnen begrijpen of denken alles al te weten. Dit laatste is zeker niet het geval. Hoewel de weet-vragen over het algemeen niet slecht werden beantwoord – door vrouwen gemiddeld beter dan door mannen – werd er af en toe ook flink misgekleund. Zo meende een kwart van de studenten dat oudere mannen geen zin meer hebben om te vrijen ‘omdat ze geen sperma meer hebben’. En veertig procent van de mannelijke eerstejaars en twintig procent van de vrouwen had geen idee wanneer de vruchtbare periode van de vrouw valt.

‘Hogere sociaal-economische groepen hebben over het algemeen een late praktische start met sex’

Ook wat betreft praktische ervaring scoorden de eerstejaars-studenten erg laag. Zestig procent was nog maagd en negen procent had zelfs geen enkele vrij-ervaring. Toch komen de studenten er vergeleken bij een Leids onderzoek uit 1970 nog niet zo gek vanaf. Daaruit bleek zeventien procent nog nooit te hebben gezoend. Maar halen we weer latere cijfers boven tafel, ik zal ze u verder besparen, dan blijkt deze vooruitgang weer tegen te vallen. Geen spectaculaire ommezwaaien dus. Een van de (voorzichtige) conclusies uit het huidige onderzoek is dan ook dat er de laatste tien jaar niet zoveel veranderd is wat betreft de seksuele ervaringen van studenten. Zeker niet vergeleken met de periode 1965-1970, zeg maar de bloeitijd van de seksuele revolutie. 'Maar dat wisten we eigenlijk allang,' reageert studentenarts Frans Meijman (33) enigszins verbolgen. ‘Uit verschillende onderzoeken is al bekend dat aankomende studenten aan het Wetenschappelijk Onderwijs aanzienlijk achterlopen in sex-ervaring ten opzichte van hun niet-studerende leeftijdgenoten. Dat was in het begin van de jaren zeventig al zo, en dat is dus kennelijk nog steeds zo.’

 

Maar als uit verschillende (zelfs vrij recente) onderzoeken al was gebleken dat er niet zoveel is veranderd, waarom dan toch een nieuw onderzoek van het NISSO? ‘Daar ging het ons helemaal niet om,’ verklaart desgevraagd Ben Witte, directeur van het NISSO en begeleider van het onderzoek.‘Dat er niet zoveel veranderd is, is eigenlijk een extra conclusie. Het onderzoek was daar echter niet op gericht. Kennis en ervaring op het gebied van de seksualiteit, met name bij studenten geneeskunde, daar wilden we een duidelijker beeld van krijgen.’

Foto: Henk Thomas
Frans Meijman

Late start

Het beeld is inmiddels duidelijk genoeg: weinig eerstejaars studenten hebben praktische seksuele ervaring. In ieder geval beduidend minder dan hun niet-studerende leeftijdgenoten. Wat is hiervan de oorzaak? Frans Meijman: ‘Studenten uit het Wetenschappelijk Onderwijs komen in Nederland bijna uitsluitend uit de sociaal-economisch hogere groepen. Dat is overduidelijk. Hogere sociaal-economische groepen hebben over het algemeen, en dat is overal zo, een late praktische start met sex. Dus studenten die uit die hogere groepen komen zullen tot hun achttiende misschien wel enige ervaring hebben, een beetje gesjanst, gezoend en gevreeën, maar echte coïtuservaring – zoals dat zo mooi heet – komt later. Nu is er een grote kans dat dit voor studenten geneeskunde nog eens extra geldt. Want van hen is het zeker dat een groot deel uit de sociaal-economisch hogere groep komt. Immers, een aanzienlijk deel van die studenten heeft een pa of ma die zelf arts is. Dus wat dit betreft is het onderzoek zeker niet representatief voor alle eerstejaarsstudenten.De ervaringen van eerstejaarsstudenten geneeskunde gaan niet op voor eerstejaarsstudenten aan andere faculteiten.’

Brit is negentien en studeert Frans

‘Ik zoende voor het eerst op mijn elfde. Ik zat toen nog op de lagere school. Heel spannend, dat weet ik nog goed. Op mijn veertiende ging ik voor het eerst met iemand naar bed. Toen vond ik dat niet jong, maar als ik nu meisjes zie van veertien, en hoe die met jongens omgaan, denk ik: Jezus, wat een kippen. Maar ja, dat was ik toen natuurlijk zelf ook. Hij was ergens in de twintig, ik weet het niet meer precies, maar ik vond 'em in ieder geval heel oud. Ik had hem via-via leren kennen. Dat heeft drie maanden geduurd. Daarna kwam een jongen van school. Daar heb ik toen twee jaar lang verkering mee gehad. Vorig jaar is dat uitgegaan. Sindsdien heb ik geen langdurige contacten meer gehad. Wel af en toe nog een beetje aanrotzooien. Met meisjes heb ik nooit gevreeën. Ik heb het me wel eens voorgesteld maar er verder nooit echt aandrang toe gevoeld. Als ik met een jongen naar bed ga moet ik hem leuk vinden, maar echt verliefd hoef ik niet op 'em te zijn. Helemaal stapelverliefd ben ik overigens nog nooit geweest. Verder ligt het natuurlijk ook een beetje aan de situatie. Je moet weten wat die ander ervan verwacht. Soms kan het leuk zijn, gewoon voor een keertje, maar als die ander dan denkt dit wordt het, dit wordt een langdurige relatie, dan moet je ermee oppassen. Maar als je allebei hetzelfde verwacht dan hoef ik zelf niet te denken, god, wat een fantastische jongen.

 

Ik ben niet echt passief in het “versieren” maar ook weer niet echt actief. Ik stap wel eens op mensen af om een praatje te maken, maar ik heb nog nooit gehad van hummm, daar zit iets leuks, die ga ik es effe versieren. Ja nee zeg, dat doe je toch niet. Als ik een vriendje had ging ik meestal alleen met hem om. Hoewel, aan het eind van die lange relatie ben ik twee keer met iemand anders meegegaan en hij één keer. Maar dat vond ik maar niks. Ik ben wel jaloers en vind het sowieso niet leuk als iemand waarmee ik iets heb ook met anderen gaat.

 

Ik heb ook wel een paar keer eenmalige seksuele contacten gehad. Dat is wel eens fout gelopen. Dat ik dacht: gezellig voor een avond of voor één of twee keer, maar dat zo'n jongen dan helemaal verliefd werd, en aan je begon te hangen... dat is heel vervelend. Een vaste relatie is voor mij als je veel met elkaar omgaat, als je weet wat je van elkaar kunt verwachten, als je rekening met elkaar houdt. Maar ik vind het onzin om te denken: ik ga met iemand naar bed, dus dit wordt een vaste relatie. Mijn ouders zijn wat betreft seksualiteit altijd heel gemakkelijk geweest. Heel open, heel vanzelfsprekend. Ik kan me ook niet herinneren dat ze me echt iets hebben zitten uitleggen. Het kwam gewoon ter sprake, min of meer terloops. Toen ik voor het eerst met een jongen naar bed ging heb ik dit dan ook verteld. Tenminste, ik heb gewoon om de pil gevraagd. Ik vroeg dat dan wel aan m'n moeder. Die is dan toch iets makkelijker dan mijn vader; die had dan wel van oh, oh, daar gaat mijn dochter. Maar mijn ouders zijn absoluut niet preuts of ouderwets. Ik ben wel eens met een preutse jongen naar bed geweest. Hoewel, hij was niet echt preuts, maar heel verlegen. Het was voor hem de eerst keer, vandaar. ik vond het heel gezellig maar voor hem was het geloof ik een soort openbaring. Dat vond ik heel erg leuk.

 

Seksualiteit komt met goede vriendinnen wel ter sprake, ja. Als iemand er niet over wil praten, dan ga ik niet verder vragen, dat is mijn zaak niet. In vaste relaties heb ik voorlopig geen zin. Op zich is het heel gezellig maar voorlopig heb ik niet zo'n behoefte aan iets vastigs. Een beetje rondspringen bevalt me best, moet ik zeggen.’

‘Toch kun je in het algemeen wel zeggen,’ vervolgt Meijman, ‘dat studenten relatief achterlopen in hun seksuele ervaring. Wat dat betreft is de universiteit een LTS. Want terwijl lagere sociaal-economische groepen hun eerste sex-ervaring opdoen in de laatste klassen van het lager-beroepsonderwijs, doen de hogere sociaal-economische groepen dat pas op de universiteit. Met andere woorden: Marietje van de huishoudschool is in de laatste klas allang bij de huisarts geweest voor de pil, en Evelina op de universiteit doet dat pas als tweedejaars. Een gevolg is dat een aantal dingen die met sex te maken hebben bij jongerejaars opeens, als in een vloedgolf voorkomen. Om het op anticonceptie te gooien: een grote groep vrouwen komt hier rond hun 22-ste praten over anticonceptie. Ze weten dan van toeten noch blazen. Dat is een heel verschil met de gewone bevolking waar je zulke gesprekken voert met meisjes van zeventien of achttien jaar oud.’

 

Het zal duidelijk zijn: de gemiddelde eerstejaarsstudent heeft weinig seksuele ervaring. Schrale troost is dat de situatie aan de Universiteit van Amsterdam enigszins afwijkt. Niet dat er hier onder de achttienjarigen meer potentiële Cassanovas en Don Juans rondlopen, maar de gemiddelde leeftijd van de eerstejaarstudenten aan de UvA ligt hoger dan aan andere universiteiten. Dat komt omdat hier meer tweedekansers en colloquiumdoctumstudenten de collegebanken bevolken. En die hebben, op grond van hun gevorderde leeftijd, gemiddeld meer seksuele ervaring. Maar voor de jongste populatie geldt ook hier hetzelfde als aan de andere universiteiten: ze hebben er weinig kaas van gegeten en komen pas laat op gang. Iemand die dit duidelijk merkt is dr. F.P. Wibaut (61). Hij is werkzaam bij de afdeling Verloskunde en Gynaecologie van het Academisch Medisch Centrum en doceert seksuologie. ‘Wat een duidelijk taboe is,’ vertelt hij, ‘is het masturberen. In de werkgroepen heb ik een masturbatiefilm vertoond; een film waarin je eerst een meisje en daarna een jongen ziet masturberen. Heel eentoning overigens, ze zijn zo'n tien minuten per stuk bezig en die jongen heeft de grootste moeite een erectie te krijgen. Maar een gesprek met de studenten over dit onderwerp was niet mogelijk. Er komt niets uit. Een student zei dat-ie nooit aan zo'n film zou willen meewerken en anderen zeiden dat ze het saai vonden. Maar dat was alles. In latere werkgroepen ben ik toen maar overgegaan op andere, minder directe dingen. Dat had meer succes.’

 

Schaamrood

Op de vraag met welk doel die masturbatiefilm eigenlijk werd vertoond zegt Wibaut: ‘Het sanctioneren van masturbatie is ontzettend belangrijk. Zeker in het huwelijk is zelfbevrediging iets waar een taboe op rust. Ik wil de studenten op deze problematiek wijzen. Een bijkomend voordeel is dat ze over zulke onderwerpen leren praten. Ik hoef niet per se studentengezelschappen te hebben waarbij ze elkaar 's morgens bij wijze van spreken toeroepen: ‘Ik heb me vanmorgen toch weer zo heerlijk afgetrokken’; maar masturbatie moet wel een onderwerp van gesprek kunnen zijn. En dat is nu nauwelijks het geval.’

 

Wibaut wijst erop dat ook de hoorcolleges zeer moeizaam verlopen. De gewenste discussies ontstaan eigenlijk nooit. ‘Het heeft misschien ook iets te maken met de gebruikte tactiek,’ vervolgt hij. ‘Het gaat hier allemaal heel voorzichtig. Een collega in Leiden bijvoorbeeld zegt het meeste resultaat te boeken als de studenten met schaamrood in de collegebanken zitten en woedend op hem worden vanwege de walgelijke dingen die hij zegt. Hij begint het eerste college dan ook met zoiets als de vraag: ‘Wat is de lekkerste bevredigingsvorm: oraal, manuaal, of neuken?’ En dan zegt hij heel triomfantelijk dat oraal toch eigenlijk het lekkerst is. In het begin ontstaat er verwarring en schaamte, maar het komt wel tot een discussie en diegenen die blijven komen wel over hun schaamte heen. Zelf zie ik wel wat in deze tactiek, maar de vakgroep zeker niet.’

 

Overigens beklaagt Wibaut zich erover dat ook bij ouderejaarsstudenten geneeskunde seksualiteit een moeilijk bespreekbaar onderwerp blijft. ‘Zelfs onder mijn co-assistenten, mensen die worden opgeleid tot huisarts of zelfs gynaecoloog, merk ik dat praten over seksualiteit vaak veel moeite kost. En het zal toch in eerste instantie bij hen zijn dat patiënten later aankloppen.’

 

Maar voorlopig zijn het nog de studenten zelf die bij een arts aankloppen. En met klachten van seksuele aard valt het wel mee. ‘Het regent hier zeker geen seksuele klachten,’ vertelt studentenarts Frans Meijman. ‘Hoewel we hier natuurlijk maar een zeer selecte groep over de vloer krijgen, hebben we in de loop van de jaren toch wel een redelijk beeld gekregen. Daarbij valt op dat we hier relatief weinig seksuele stoornissen krijgen. Zeker niet meer dan in de gewone huisartsenpraktijk.’

 

‘Wat wel interessant is,’ vervolgt hij, ‘is dat bij ons seksualiteit opmerkelijk vaak een achterliggende factor is bij psychische en psychosomatische klachten. Dus dan is niet sex het probleem, maar klagen ze bijvoorbeeld over jeuk aan de geachtsdelen. Dat wordt dan niet als een seksprobleem gezien, maar als een huidprobleem. Wij hebben daarentegen de indruk dat dit vaak wel met een seksueel probleem te maken heeft. Maar over het algemeen moet ik zeggen dat seksuele klachten in onze praktijk de laatste jaren afnemen. En hoe dan ook: het was al niet veel.’

‘Een zeer groot deel van de studenten doet hun eerste coïtuservaring op tijdens hun studie’

Coïtus tijdens studie

Had hij dan juist méér problemen verwacht? Meijman: ‘In zekere zin wel. Want hoewel blijkt dat het overgrote deel van de eerstejaarsstudenten geen seksuele ervaring heeft, het merendeel van de ouderjaars heeft dit wel. Met andere woorden: een zeer groot deel van de studenten doet hun eerste coïtuservaring op tijdens hun studie.’ Dit brengt ons op een andere vraag. Want hoewel inmiddels wel duidelijk is dat studenten over het algemeen een late start hebben, gaat het verhaal dat ze hun achterstand razendsnel inhalen. Promiscuïteit wordt vaak in een adem genoemd met studeren. ‘Dat heb ik vroeger ook altijd gedacht,’ weet Meijman-echter, ‘maar ik denk nu dat dit niet zo is. En dat is een indruk die gebaseerd is op het vóórkomen van geslachtsziektes. Ik dacht: nou, die zullen wel flink hoog liggen. maar dat valt vergeleken bij niet-studerende leeftijdsgenoten reuze mee. Om het te concretiseren: de poliklinieken geslachtziekten van de GG & GD in Amsterdam zijn overvol en worden al jaar en dag uitgebreid. Maar die wachtkamers zijn zeker niet gevuld met studenten. Wij doen hier al jaren het geslachtsziektenonderzoek zelf, en dit zijn er betrekkelijk weinig.’

 

‘Maar dit wil natuurlijk niet zeggen,’ vervolgt Meijman, ‘dat promiscuïteit helemaal niet voorkomt. Natuurlijk is die er wel, maar niet bij een echt grote groep. Er is een vaste relatie en er wordt af en toe met iemand anders gevreeën. Dat wel. Want de monogamie is, ik wil niet zeggen zeldzaam, maar toch zeker beperkter dan in de algemene populatie.’

 

Waar in het Nisso-rapport ook veel aandacht aan wordt besteed is de invloed van de kerk op seksualiteit. Niemand zal van zijn stoel vallen van de conclusie dat die invloed negatief is. Nog altijd presteert de Katholieke kerk het om om de zoveel tijd een rapport uit te brengen waarin verbijsterend gedateerde aanbevelingen worden gedaan op het gebied van de seksualiteit. December vorig jaar verscheen bijvoorbeeld het rapport ‘Opvoedkundige richtlijnen over de menselijke liefde. Hoofdlijnen van de seksuele opvoeding’. Hierin staat te lezen dat masturbatie een symptoom is van ‘veel diepere problemen die een seksuele spanning veroorzaken’. Homoseksuelen wordt aangeraden zichzelf te beheersen. Indien nodig kan medisch-psychologische hulp worden ingeroepen, aldus nog altijd het Roomse rapport, maar dan wel van iemand die de leer van de kerk aanvaardt. Voorbehoedsmiddelen worden verboden en ter voorkoming van ‘bandeloos seksueel gedrag’ wordt sport aanbevolen.

 

Tegen zoveel richtlijnen valt natuurlijk niet op te sporten. Niet iedere kerkbezoeker houdt zich dan ook even strikt aan deze regels. Maar nog altijd vertonen diegenen die zich sterk verbonden voelen met een kerk, afwijkend seksueel gedrag. Zo bleek uit het onderzoek van het Nisso dat gelovigen minder vaak masturberen en zich na afloop vaak schuldig voelen. Een van de (anonieme) geënquêteerden drukte het zelfs als volgt uit: ‘Ik voel mij bijzonder zwak van geest als het gebeurd is’. (Een andere deelnemer van de enquête vroeg zich overigens af  ‘wat er er met de woorden masturbatie en orgasme bedoeld wordt’.) Ook bleken gelovige studenten opvallend minder bloot gevreeën te hebben dan niet-gelovige studenten. (Onduidelijk is overigens wat nu precies met bloot en niet-bloot vrijen bedoeld wordt. Is niet-bloot vrijen neuken met kleren aan?)

José (20) is eerstejaarsstudente psychologie aan de UvA

‘Ik werd voor het eerst op een meisje verliefd toen ik achttien was. Dat realiseerde ik me toen niet eens. Ik hockeyde en zij kwam nieuw in het elftal. Een heel leuk meisje. Als ik haar zag kreeg ik de kriebels in mijn maag. Dat vertelde ik aan een vriendinnetje en die zei: nou, dan ben je verliefd. Een toen dacht ik: God ja, zo kun je het ook noemen. Overigens is het niets geworden en ben ik daarna weer op een jongen verliefd geworden. Het was dus geen ommekeer in m'n leven. Dus niet dat ik opeens dacht: nu ben ik lesbisch. Sindsdien heb ik nog een vriendje gehad. Die relatie heeft bijna een jaar geduurd. Nu, sinds vier maanden, heb ik een vriendin. Het is een heel natuurlijke stap geweest. Ik denk dat het ook te maken heeft met Amsterdam. De sfeer is hier toleranter ten opzichte van homoseksualiteit. Het wordt niet voor niets de potten- en flikkerstad genoemd! Hier hebben ook veel mensen om me heen een homoseksuele relatie. Dat is voor mij belangrijk geweest. Ik ben niet zo dat ik met iedereen het bed in stap, helemaal niet. En zeker voordat ik echt verder kan gaan met vrijen moet ik wel verliefd op iemand zijn. Ik vind het nu eenmaal leuker om met iemand te vrijen op wie ik verliefd ben. Ik ben ook monogaam. Niet omdat dat zo hoort, maar omdat als ik een relatie met iemand heb, ik helemaal geen behoefte heb om met iemand anders te vrijen. Ik geef mezelf niet makkelijk bloot. Letterlijk en figuurlijk. Als ik iemand ontmoet die ik leuk vind ga ik echt niet zo hup uit de kleren. Zo van: ik wil wel. Maar echt preuts ben ik ook niet. Het is niet zo dat ze me niet bloot mogen zien. Dat ik me snel uitkleed, onder de dekens ga liggen en dan zeg: kom er bij en doe het licht uit. En over seksualiteit praten, tja, ik vind het iets heel intiems. Ik zou zelf niet snel vertellen hoe ik dat nu precies doe. Niet omdat dat een taboe is of iets dergelijks, maar omdat het voor mij iets is wat je doet met diegene met wie je vrijt. Ik praat zeker niet over details, of over masturbatie of iets dergelijks. Zo van, dit is nou lekker. Nee, daar wordt niet veel over gepraat.’

Het

Het meest opvallende verschil tussen gelovigen en niet-gelovigen, en dan nog speciaal voor wat betreft de meisjes, werd gescoord op de stelling ‘Ik denk dat het leuk is om met mij te vrijen’. Men kon hierop antwoorden: 1. Ik weet zeker van wel; 2. Ik denk van wel; 3. Ik weet het niet; 4. Ik denk van niet; 5. Ik weet zeker van niet. En nu komt het: van alle deelneemsters weet één procent zeker dat het niet leuk is met hen te vrijen. Bij meisjes die zich sterk met een kerk verbonden voelen is dit 12 procent! Voor diegenen die alleen maar denken zijn de verschillen eveneens opvallend. Zeventig procent van de meisjes denkt dat Het met Hen wel leuk zal zijn. Van de gelovige meisjes denkt slechts 36 procent er zo over (voor jongens worden deze aantallen niet gegeven).

 

En ook wat betreft kennis van seksualiteit eindigen gelovigen een stuk lager dan niet-gelovigen. Een van de conlusies van het onderzoek is dan ook dat hoe dichter de student bij het geloof staat, hoe ‘dommer’ hij is, en hoe ‘bekrompener’ hij staat ten opzichte van seksualiteit.

 

Een man die ervaring heeft met de moeizame versmelting van seksualiteit en geloof is Syp de Lange (53) die als dominee verbonden is aan het studentenpastoraat. ‘Over het algemeen heb ik de indruk dat de gevoelens van zonde zich niet meer alleen afspelen op het gebied van de seksualiteit. De angsten en zorgen beslaan nu een veel breder gebied. Maar het kan zijn dat ik me vergis hoor, want de vrijmoedigheid waarmee men met elkaar spreekt over seksualiteit is minder groot dan je zou vermoeden.’ Over het algemeen wordt het studentenpastoraat dan ook niet overspoeld met vragen over seksualiteit. ‘Er wordt meer gesproken over relatieproblemen,’ vervolgt De Lange, ‘morele vragen komen niet meer zo aan bod.’ Dit soort vragen worden wel gesteld binnen de door De Lange geleide Werkgroep Homofilie. ‘Homofiele gevoelens worden vaker dan je in deze tijd zou verwachten als problematisch ervaren. Daarom is deze werkgroep dan ook opgericht, zodat homofielen daar met, zeg maar, hun lotgenoten kunnen praten. In de christelijke traditie wordt homofilie afgewezen. Dat geeft problemen. Het is natuurlijk niet eenvoudig als je als homofiel het gevoel hebt dat dat wat jij voelt niet overeenkomt met de schepping.’

 

Karnemelk

Schepping of niet, een van de positieve bevindingen van het Nisso-onderzoek is dat de tolerantie ten aanzien van homoseksualiteit de laatste jaren verder is toegenomen. Toch vond nog altijd 8 procent van de vrouwelijke en 13 procent van de mannelijke toekomstige medici dat mensen met homoseksuele verlangens deskundige hulp nodig hebben. En vijf procent was van mening dat die gevoelens maar moesten worden onderdrukt. Ook wat dit betreft scoorden de gelovige studenten weer een stuk hoger. Maar ditmaal staan zij niet alleen. Maar liefst 21 procent van de geënquêteerde Leidse meisjesstudenten is van mening dat homoseksuelen hard toe zijn aan deskundige hulp. Deskundige hulp is er op het gebied van seksualiteit overigens genoeg. De twee bekendste instellingen zijn wel de Rutger Stichting en de NVSH. Met name de NVSH heeft in de loop van de jaren furore gemaakt. Het was dan ook daarheen dat wij ons voor informatie spoedden. Hoewel ik eigenlijk geen kwaad woord over deze organisatie wil schrijven kan ik u een citaat niet onthouden. Het komst uit de Sekstant van april 1975 en is op stencil verkrijgbaar bij de NVSH (voor een kwartje). ‘Zo zou je kunnen beginnen,’ leest de kop. ‘Kleed je helemaal uit, kijk elkaar aan terwijl je dat doet. Dan ga je tegenover elkaar op bed zitten. een kusje, een handje, een streling, een lach, een compliment, een grap, een sigaret, een glaasje karnemelk, doe en zeg maar iets gezelligs. Het gaat erom dat je samen op je gemakt naakt kunt zijn. Dat is al een hele stap. Als dat goed gaat begin je elkaar om de beurt (cusivering niet door mij - ES) een minuut of tien te strelen over het hele lichaam. (...) Bij deze onderzoekingstocht is alleen plaats voor verwondering, nieuwsgierigheid en gezelligheid. Er is geen plaats voor hartstochtelijk wegzinken in onweerstaanbare oerkrachten. (...) Blijf elkaar aankijken en hou het gezellig.’ Ergens halverwege (!!) het artikel wordt nog vermeld: ‘Hou hier op met lezen en ga aan de slag.’