Foto: Ro'is Arsath (Collectie Stadsarchief Amsterdam, 1975)
actueel

Folia 70: UvA benoemt arts voor studentenwelzijn

Dirk Wolthekker,
8 oktober 2018 - 14:07

Folia bestaat 70 jaar. Deze maand blikken we dagelijks terug met een artikel uit ons archief. Vandaag: veel studenten worstelen in de jaren zestig met hun seksualiteit, met hygiëne en huisvesting. Om studenten te helpen krijgt de UvA in 1961 een universiteitsarts. ‘Het bezoek aan de universiteitsarts is volkomen vrijwillig’

Universiteitsarts benoemd

14 oktober 1961

 

Op vele gebieden van het universitaire leven is uitbreiding noodzakelijk. Zo ook op het gebied van de gezondheidszorg voor studenten. Tot enige jaren gelede, toen zowel in Delft als in Leiden universiteitsartsen werden benoemd, was de gezondheidszorg voor studenten grotendeels informeel: een arts, vaak afgestudeerd in dezelfde stad, die een oogje hield op de conditie der leden van bijvoorbeeld de roeiafdeling van zijn vroegere studentenvereniging, een arts die één of meer spreekuren speciaal voor studenten openstelde. Meer officieel: de studentenhuisartsen.

 

Een arts echter, die zich volledig kon bezighouden met alle voorkomende moeilijkheden op het gebied van studie, huiselijke omstandigheden en sexualiteit, moeilijkheden die samenhangen met een lichamelijke handicap en huisvesting, een bedrijfsarts dus, bestond niet. Toch was een dergelijke functie het enige antwoord op de problemen die de universitaire gemeenschap op deze terreinen stelde. Dit terrein, de zorg voor het lichamelijke en geestelijke welzijn van de studenten, wordt nu voor een groot deel het arbeidsveld van de heer P.M. Dikkenberg.

 

Volkomen vrijwillig

Het bezoek aan de universiteitsarts is volkomen vrijwillig. Het advies van een hoogleraar eens een bezoek aan de universiteitsarts te brengen of bijvoorbeeld studiemoeilijkheden samenhangen met lichamelijke of geestelijke problemen, hoeft niet te worden opgevolgd. Wordt het advies echter wel opgevolgd en blijkt bij het onderzoek dat bepaalde omstandigheden de situatie ongunstig beïnvloeden dan kan dit resultaat voor zowel hoogleraar als student verhelderend zijn. Ditzelfde geldt voor de beursstudent die zijn tentamens minder snel doet dan O. K. en W.De voorloper van het ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap. dit graag zou zien: de student, opgeroepen door de studentendecaan, kan het advies krijgen eens te gaan praten met de universiteitsarts. Vaak immers zal de student, die eens per maand een weekend bij zijn ouders buiten de universiteitsstad doorbrengt, er niet toe komen zijn huisarts lastig te vallen met een niet zeer ernstig ziektegeval, of speciale afspraken te maken om over meer persoonlijke problemen te komen praten. Zeker tegenwoordig niet meer, nu de huisarts niet meer wordt gezien als een soort vaderlijke raadgever en huisvriend, meer eerder als een soort anatomisch mechanicien.

‘Je kunt niet tegelijkertijd willen helpen, als Sinterklaas optreden en cipier zijn’

Eenzaam

Dit ‘uit zich zelf komen’ is een van de belangrijkste punten, aldus de heer Dikkenberg. Het instituut van de universiteitsarts heeft weinig zin als het alleen zou bestaan uit het controleren van laboratoria en werkplaatsen. Daarom ook, is het controleren van studenten die zich ziek melden voor een tentamen geen deel van de werkzaamheden. ‘Je kunt niet tegelijkertijd willen helpen, als Sinterklaas optreden en cipier zijn.’ De student die zich niet op zijn boeken kan concentreren, maar toch lichamelijk gezond is, moet het idee hebben hier eens rustig over te kunnen praten. Een gesprek kan vaak veel bereiken, vooral tegenwoordig, nu de eenzaamheid onder de studenten is toegenomen: vroeger kende iedereen elkaar, vooral in de kleine universiteitssteden. Ieder was praktisch lid van een gezelligheidsvereniging en het overgrote deel van de studenten kwam uit hetzelfde milieu. Aanpassingsproblemen waren minder groot.