Foto: Archief van de Dienst Ruimtelijke Ordening
actueel

Folia 70: die student van tegenwoordig

Henk Strikkers,
1 oktober 2018 - 12:25

Folia bestaat deze maand 70 jaar. Deze maand blikken we dagelijks terug met een artikel uit ons archief. We beginnen bij onze oprichting en bewegen naar het nu. Vandaag: na de Tweede Wereldoorlog groeit het aantal studenten aan de UvA sterk. Daarmee ontstaat voor het eerst in decennia een generatieclash aan de universiteit. Redacteur M.V. v.d. Woude schrijft het van zich af: ‘Men ontmoet mensen voor wie het tot de bon ton schijnt te behoren, te verkondigen, dat men zo weinig mogelijk moet studeren.’

Massa en universiteit

12 mei 1950 – M.V. v. d. Woude

 

In zijn ‘Opstand der horden’ beschrijft Ortega y Gasset hoe de samenloop van de immense vlucht der techniek en van de voortgaande realisering der persoonlijke vrijheid in de democratie een nivellatie heeft teweeggebracht, die het merendeel der mensheid heeft doen verworden tot een grauwe, kleurloze groep, waarvan ieder individu, door de grote gaven van techniek en democratie overmoedig geworden, steeds meer voor zich opeist, daarbij vergetend, dat het leven niet alleen in ontvangen bestaat, maar dat men ook plichten heeft tegenover de groep – de gemeenschap – en tegenover zichzelven. De hedendaagse mens is zo een ‘troetelkind’ geworden, dat het begrip ‘zelfverantwoordelijkheid’ nog slechts zeer vagelijk kent en tegenover materie en overheid aanspraken doet gelden, die iedere grens van redelijkheid en mogelijkheid ver overschrijden.

 

Vermassung

In deze zich nog steeds uitbreidende en voorwoekerende ‘Vermassung’ was tot vóór enkele jaren de universiteiten nog één van de enkele cultuurbolwerken gebleven. Maar ook hier is met het toenemen van het aantal de massageest binnengedrongen.

‘Het hart van ieder studenten van vorige eeuwen zou stilstaan, wanneer hij hier en daar in de koffiekamer de meest vreemde dialecten zou mogen aanhoren’

Als men in vacantie of bij toeval ‘s avonds zich langs Oude Zijds Voor- of Achterburgwal mocht begeven, dan wordt men gewaar de weldadige en intrigerende omgeving, waarin oude studentengeneraties zich rond de Alma Mater bewogen en welke verkwikkende rust de gedachten vanzelf uitnoodt, zich de vrije loop te laten. Dat de rust door de honderdtallen heen en weer trekkende studenten vrijwel te niet gedaan wordt, is op zichzelf evenwel nog geenszins onheilspellend. Maar het hart van ieder studenten van vorige eeuwen zou stilstaan, wanneer hij, de Alma Mater betreffend, een groep studenten, in panische hunkering, ’n examen te auditeren, zich als een wig de Faculteitskamer in ziet wringen, wanneer hij zou waarnemen, hoe door enkelen soms onder college soms hele maaltijden worden verorberd, hoe hoogleraren soms met moeite zich een weg kunnen banen uit de collegezaal, wanneer hij hier en daar in de koffiekamer de meest vreemde dialecten zou mogen aanhoren.

 

Hoewel dit alles symptomatisch is en duidt op een zekere verwording, uit zich hierin nog niet het sterkst de massageest, die zich van vele studenten meester heeft gemaakt en is zij hierin niet het meest algemeen verbreid. Want tot verbazing stemt het, dat men dezelfde houding, die men tegenwoordig bij de grote massa aantreft, eveneens vindt bij vele studenten, die namelijk tegenover universiteit en docenten ongerechtvaardigde eisen stellen en in evenredigheid daarmee zich hoe langer hoe meer van de eigen verantwoordelijkheid los wanen.

‘Vele studenten stellen aan de docenten de eis dat de weg door de examens tot een glijbaan wordt’

Studeren voor het tentamen

Vele studenten stellen aan de universiteit de eis, dat zij hen tot volwaardig mens zal opvoeden, aan de docenten, dat zij hun taak zo zullen volbrengen dat de weg door de examens geplaveid en effen, nog liever tot een glijbaan wordt. Men vindt lieden, die alleen de collegezaal en hun eigen kamer kennen, voor wie enkel hun eigen vak bestaat en dat dan nog slechts voor zover de literatuur, die hun verplicht is gesteld. Deze mensen werken hard en onverdroten met als enig doel voor ogen het examen, welks behalen hun het paradijs zal openen. Zij kennen hun examenstof heel vaak uitstekend, maar iedere wetenschap verwordt in hun handen tot een dorre, technische apparatuur, waarmee zij niet vermogen te werken, omdat zij zich de sleutel ertoe niet verschaft hebben. Buiten hun vak ligt voor hen een terra incognita, en ook voor de omgeving zijn het zeer schrale figuren. Vaak voelen zij hun tekorten, maar dan is het de universiteit, die in gebreke blijft; en wanneer zij zich deze tekorten niet bewust zijn, dan voelen zij zich tevreden over zichzelf, omdat de universiteit niet uitdrukkelijk hogere eisen aan hen stelt.

 

Men ontmoet ook mensen, die minder noest werken, wier examens door de moedwil van professoren steeds worden getorpedeerd, men ontmoet er, die alles, wat zij buiten hun vakstudie zouden doen, verspilling aan energie achten, die om allerlei duistere redenen het contact met anderen zoveel mogelijk mijden, die ‘money-making’ zien als het eerste en laatste doel van een wetenschappelijke opleiding, die een studentenverenigingen vinden het hoogtepunt van een leeg, losbollig leven en daarom zeggen, er geen lid van te willen zijn, men vindt er talloos velen, voor wie het tot de bon ton schijnt te behoren, te verkondigen, dat men zo weinig mogelijk moet studeren. En deze allen verlangen, dat de universiteit hen zal vormen tot mensen, die (in de gunstigste gevallen!) aan een zeker ideaalbeeld kunnen voldoen, die maatschappij en cultuur zullen schragen. Zeer veel werd er enige tijd geleden door studenten gesproken over hoger onderwijshervorming en dikwijls had ik daarbij het onbehagelijk gevoel, dat deze interne belangstelling vooral hier uit voortsproot, dat men de studie door steeds hogere eisen al te zeer verzwaard achtte, hetwelk ook zeer vaak de grondtoon der argumentering bleek; ik wil niet treden in de beoordeling hiervan.

 

Eigen verantwoordelijkheid

Ik geloof dat iedere reorganisatie van het hoger onderwijs voor den student uiteindelijk slechts van zeer relatieve betekenis is, wanneer het hem niet duidelijk is, dat het niet op de eerste plaats de universiteit is, die hem zal vormen, maar dat hijzelf voor bijna honderd procent de eigen vorming in handen heeft. Vele studenten schijnen deze waarheid nog steeds niet  ‘ontdekt’ te hebben, en omdat zij dit voor henzelf nooit als een probleem gezien hebben, is hun blik gericht op de universiteit, en, waar deze niet aan hun verlangens heft kunnen voldoen, is nu alle hoop gevestigd op een eventuele hervorming, die, hoe zij ook zij, hen weer zal teleurstellen. De student moet weten, dat universiteit en docenten hem niet wensen te leiden, maar dat zij hem op zijn weg de richting aanwijzen en dat hij zelf de leiding op zich heeft te nemen. Daar de universiteit het zich uitdrukkelijk niet ten doel stelt, voor de gehele ‘education’ van de student zorg te dragen, is het aan de student zelf overgelaten, zijn plaats als mens in de wereld in te nemen. Slechts wanneer men dit heeft ingezien, dat de eigen vorming voor het overgrote deel bestaat in het voortdurend contact met en zich rondbewegen tussen anderen en een ongebreidelde strijd met zich zelve, dan pas heeft de student het recht tegenover zde universiteit eisen te doen gelden, maar die zullen er dan niet vele meer over zijn.