Econoom Barbara Baarsma (43) geeft dinsdag een college in Club Air voor de Universiteit van Nederland, een initiatief van journalisten Marten Blankesteijn en Alexander Klöpping om inspirerende verhalen verder te brengen dan de collegezaal.

Waar gaat u het over hebben?
'Over de vragen die ik als beleidseconoom tegenkom. Bijvoorbeeld: hoe werken markten? Wanneer moet de overheid ingrijpen? Doet die niet te veel? Of juist te weinig? En ik ga proberen spraakverwarringen tussen economen en de rest van de wereld uit de weg helpen. Dat economen alleen maar anti-overheid zijn, bijvoorbeeld.'

Is dat niet zo dan?
'Nee! Economen zijn meestal geneigd meer vanuit de markt te redeneren dan vanuit de overheid. Ik begrijp dus waar de spraakverwarring vandaan komt, maar terecht is het niet. Het is gewoon een andere manier van denken."

U staat erom bekend dat u economische vraagstukken begrijpelijk kan maken voor iedereen.
'Dat is ook exact de reden waarom ik graag college wil geven aan de Universiteit van Nederland. Die colleges moeten toegankelijk zijn voor iedereen. Het publiek is heel divers. Oud, jong, niet alleen studenten. En Club Air is een grappige plek. Het is meer een theatersetting dan een collegezaal.'

Past u uw toon aan aan uw publiek?
'Ik probeer het heel toegankelijk te houden. Ik heb bijvoorbeeld een experiment gedaan op de middelbare school van mijn zoons. Ik verklap nog niks, maar dat levert een grappig en leerzaam onderdeel van het college op. Ondertussen wil ik ook veel uitleggen. Zo zie ik mijn rol. Uitleggen, duiden.'

Maar u zit zo diep in de materie. Hoe maakt u dat dan begrijpelijk voor een groot publiek?
'Dat is steeds een uitdaging. Ik probeer boven de materie te staan en veel met voorbeelden te werken. Zo maak ik het aansprekend.'

De reputatie van economen is er sinds de crisis niet beter op geworden.
'Tja, we hebben de crisis niet voorspeld, dat is waar. Economie is geen voorspelwetenschap, maar een wetenschap die analyseert. Onze blik op financiële markten is inderdaad niet scherp genoeg geweest. Maar niet alleen bij economen, ook bij de overheid en bij de consumenten. Iedereen had een te groot geloof in het zelfregulerend functioneren van financiële markten."

Durft u zich toch aan een voorspelling te wagen? Komt het weer goed?
'Nederland staat er in principe heel goed voor, maar het komt heel langzaam uit de crisis, langzamer dan omringende landen. Dat heeft te maken met bepaalde mechanismen in bijvoorbeeld de pensioenfondsen en de woningmarkt. Als het goed gaat, gaan we sneller omhoog, als het slecht gaat, komen we daar langzamer weer uit.'

Oef.
'Nou ja, vergeet niet: onze uitgangspositie is goed. We zijn rijk, hebben een goede infrastructuur en goed onderwijs. We zijn gelukkig. Maar de instabiliteit die in de woningmarkt, pensioenen en bankenwereld zit, moeten we er wel uithalen. Als we dat doen, komen we beter uit de crisis dan we er ingingen.'

Hoe is uw liefde voor economie ontstaan?
'Ik ging naar Delft om industrieel ontwerpen te studeren. Toen bleek dat ik de dingen met mijn handen moest ontwerpen, knapte ik direct af. Ik wilde mijn hersens gebruiken! Toen ben ik bij economie beland, aan de UvA. Nu ontwerp ik ook dingen: markten.'

U heeft eigenlijk een heel creatief vak?
'Dat zal op jou misschien heel raar overkomen, maar dat vind ik wel. Je maakt beleid, kijkt naar prikkels, bedenkt manieren om te meten. Het is voortdurend creatief.'

Voelt u zich Amsterdammer?
'Mijn geliefde is een geboren Amsterdammer. Hij vindt alles buiten de Ring buitenland. Zo denk ik niet, maar ik woon en werk hier met veel plezier.'

Hoe geniet u dan van de stad?
'Ik geniet van de vrije sfeer, de mooie gebouwen, de lekkere restaurants en zelfs van de natuur. Ik ga graag hardlopen om mijn hoofd leeg te maken. Lange stukken, naar het Amsterdamse Bos of langs de Amstel.'

Dan denkt u even niet aan economie?
'Juist wel! Ik schrijf de beste stukken als ik ga hardlopen. Ik ben de deur nog niet uit of ik heb inspiratie. Voor mij is economie ook een soort hobby.'

Dit artikel verscheen eerder in Het Parool. Tekst: Kees van Unen.