De wetenschappelijke gemeenschap moet veel strenger toezien op de beginfase van wetenschappelijk onderzoek. Juist in die fase van een onderzoek is de kans op fraude groot en ontbreekt de controle.

Dat is één van de adviezen uit het rapport Zorgvuldig en Integer omgaan met Wetenschappelijke Onderzoeksgegevens dat is opgesteld door een commissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) dat vrijdagmiddag in Amsterdam werd gepresenteerd. De commissie, onder voorzitterschap van socioloog Kees Schuyt, onderzocht de manier waarop wetenschappers omgaan met onderzoeksgegevens. De kans dat een onderzoeker maar wat "aanrommelt" dient verkleind te worden door een slimme organisatie van de onderzoekpraktijk en goede afspraken over begeleiding.’

De commissie-Schuyt werd ingesteld naar aanleiding van de grootschalige fraude van voormalig hoogleraar sociale psychologie Diederik Stapel. De zwendel kwam vorig jaar aan het licht toen er bij, vooral jonge, onderzoekers twijfel ontstond over zijn werkwijze. Stapel verzon gegevens om zo tot gunstige onderzoeksresultaten te komen. In het onderzoek naar de handel en wandel van Stapel, dat onder leiding staat van de commissie-Levelt, zijn inmiddels al tientallen artikelen als frauduleus bestempeld. De eindconclusie wordt nog dit jaar verwacht.

Wangedrag
Met een grootschalig onderzoek naar de ‘aard en omvang’ van het wangedrag in de Nederlandse wetenschap wil de commissie-Schuyt ‘uit voorzorg elke twijfel over de integriteit van wetenschappelijk onderzoek’ wegnemen. Concreet betekent dat ‘onderzoeksorganisaties VSNU, NWO, KNAW en TNO’ al het wetenschappelijk onderzoek in Nederland tegen het licht moet houden. Volgens de commissie is het vertrouwen in de wetenschap afhankelijk van zorgvuldigheid en integriteit.

In het rapport wijst de commissie er daarom ook op dat onderzoekers goed begeleid moeten worden. Zeker in de beginfase van een onderzoek, waarin zij vaak in hun eentje gegevens verzamelen, verwerken en opslaan. ‘Dit is een fase waarin zorgvuldige omgang met onderzoeksgegevens doorslaggevend is. In een aantal wetenschapsgebieden vindt de toetsing voornamelijk achteraf plaats.’ Goede afspraken over de begeleiding kunnen voorkomen dat wetenschappers hier de fout in gaan. In het wetenschappelijke onderwijs moet daarom nog meer aandacht komen voor methoden en statistiek.

Eed
Om wetenschapsfraude verder tegen te gaan is het volgens de commissie niet nodig om bestaande gedragsregels verder aan te scherpen zolang niet duidelijk is wat de aard en omvang van het probleem is. Op dit moment is het daarom belangrijker ‘hoe de regels in de praktijk van het onderzoek in het bewustzijn van alle onderzoekers leven en worden nageleefd.’ Integer gedrag moet een tweede natuur zijn van een wetenschapper.

Hoewel wetenschappers zich daar al toe verplichten door in hun arbeidscontract de Nederlandse Code Wetenschapsbeoefening na te leven, kan het afleggen van een eed daarbij helpen. Ook het organiseren van jaarlijkse studiedagen is een goed middel om de noodzaak van zorgvuldig en verantwoord onderzoek te benadrukken. Dagen als deze kunnen volgens de commissie ook gebruikt worden om te debatteren over integriteit.

De commissie benadrukt dat het gaat om aanbevelingen. Het is aan de universiteiten om te bepalen hoe ze met het advies omgaan.