Foto: Wikimedia/CC
opinie

Column | Vliegangst

Asis Aynan,
5 november 2015 - 10:04

In mijn mailbox las ik een bericht uit Bloemfontein, Zuid-Afrika. Het was een verzoek mee te doen aan het literatuurfestival van de Universiteit van de Vrijstaat, een Afrikaanstalige academie. Hoe vaak heb ik uitnodigingen uit verre oorden afgeslagen? Ik weet het niet meer.

In het jaar 1980 vloog mijn moeder naar de Nieuwe Wereld. Ik was een foetus van bijna negen maanden. We landden op Schiphol en een paar dagen later zag ik in het Haarlemse Sint Johannes de Deoziekenhuis het levenslicht. Het duurde twintig jaar voor ik weer de lucht in ging.

 

Het was in Malaga. Ik liep in de vliegveldhal. Samen met een vriend bewogen we ons door de klinische ruimte naar de incheckbalie. We lachten over de chaotische veerboottocht uit Afrika, die we net achter de rug hadden. Bij de inschrijfbalie werd een naamsticker om het handvat van mijn koffer geplakt en werd hij op de lopende band gezet. De koffer kieperde om en ik keek hoe hij in de mond van de bagagegrot verdween. Mijn maag trok zich samen, alsof er een wurgkoord omheen werd gespannen.

 

De vriend maakte een vragend knikje. Ik zei dat ik niet wist wat er aan de hand was. In de buis naar het vliegtuig was de pijn ondraaglijk en vulde mijn mond zich met maagzuur. Toen ik in de vliegtuigstoel zat, spuugde ik het zure sap in een zakje en probeerde de smart onder controle te krijgen. Aan de overkant van het pad bracht iemand zijn rechterhand naar voorhoofd, borstkas en beide schouders. Het aluminiumkruis op bandjes reed langzaam naar de startbaan. Toen landde waar mijn verwarde conditie vandaan kwam: het was de angst voor de dood. Aviofobie kwelde mij.

 

De reis die volgde was er een van een onregelmatige hartslag, nat van het zweet, een maag die de situatie niet kon verteren en de voortdurende angst uit de lucht te vallen om te pletter te slaan op de aarde. Daarna ben ik nooit meer een vliegtuig ingestapt.