Een tripje naar het Scheepvaartmuseum, een bizar tijdreisincident, en ineens sta je middenin een achttiende-eeuws, door de VOC geteisterd Indonesië, met alle gruwelijkheden van dien. Het overkomt de twaalfjarige Nur, hoofdpersoon uit kinderboek De reis van de amulet. Schrijver en UvA-docent mediastudies Reza Kartosen-Wong: ‘Kinderboeken kunnen een ander perspectief meegeven.’
In het deze week verschenen boek, dat hij samen met zijn partner Chee-Han Kartosen-Wong schreef, beschrijft Kartosen-Wong hoe een stel groep 8-leerlingen terecht komt in het Indonesië van de achttiende eeuw. Het land gaat gebukt onder de invloed van de VOC, onderdrukking en slavernij zijn er schering en inslag. Een stevig thema voor een kinderboek.
Waarom kozen jullie voor dit onderwerp?
‘Als docent mediastudies ben ik veel bezig met representatie in de media en dekolonisatie. Mijn vrouw en ik schreven eerder al een serie prentenboeken, waarin diversiteit en inclusie en grote rol speelden, dus vonden we dat we het nu eigenlijk ook over het onderwerp dekolonisatie moesten hebben. We kwamen erachter dat het lesmateriaal in de bovenbouw van de basisschool gebrekkig is als het aankomt op het koloniale verleden. Onze oudste zoon van elf kwam vorig jaar thuis met huiswerk over de VOC, waarin nog altijd alleen maar werd verteld over de positieve kanten: de gouden eeuw, rijkdom, avontuur. Maar niets over de grootschalige onderdrukking, genocide of slavernij. Daarom wilden wij juist daar een kinderboek over schrijven.’
Over dit deel van de Nederlandse geschiedenis is minder bekend dan over bijvoorbeeld de Trans-Atlantische slavenhandel. Hoe komt dat denk je?
‘In het onderwijs is weinig aandacht voor de slavernij die heeft plaatsgevonden in Indonesië. Ik denk dat dat onder meer komt doordat er in Nederland relatief weinig nazaten van Indonesische tot slaaf gemaakten zijn geweest die zich hierover hebben uitgesproken. Vooral de eerste generatie was niet zo zichtbaar in het publieke debat. Mensen met een Indo-Europese achtergrond hebben hun Indonesische wortels lange tijd genegeerd, en identificeerden zich vooral sterk met het Nederlandse deel.’
In het persbericht over het boek schrijf je dat de huidige vorm van anti-Aziatisch racisme naar die periode is te herleiden. Hoe zie je dat vandaag de dag terug?
‘Anti-Aziatisch racisme heeft altijd bestaan, maar is tijdens de coronaperiode exponentieel gegroeid. Mensen met een Aziatisch uiterlijk worden vaker in het openbaar uitgescholden of bespuugd. Dit is ook mijn vrouw en mij overkomen. De manier waarop dat racisme zich uit heeft duidelijk haar wortels in het kolonialisme. Oriëntalistische ideeën dat mensen van Aziatische afkomst vies, inferieur en onmenselijk zouden zijn, komen nu nog steeds terug. Daarom is het belangrijk om dat verleden te bespreken, juist ook met kinderen. Zo pak je de bron aan.’
Het lijkt me ingewikkeld om over zo’n zwaar onderwerp een vlot kinderboek te schrijven.
‘Het is inderdaad een zwaar thema, daarom proberen we subtiel te werk te gaan. Allereerst moet het een leuk en spannend boek zijn. Het gaat natuurlijk over de VOC en over slavernij, maar in eerste instantie is het vooral een spannend tijdreisverhaal. Het moet leuk zijn om te lezen. Tegelijkertijd nemen wij kinderen wel heel serieus. Zij kunnen dit soort volwassen thema’s echt wel aan, op school leren ze ook over de Holocaust. Het gaat om de manier waarop je dat soort verhalen vertelt. In de illustraties in het boek laten we bijvoorbeeld wel wat bloed zien, maar geen massaslachtpartijen. Daarentegen wordt wel afgebeeld hoe een tot slaaf gemaakte in de brandende zon aan een paal wordt vastgebonden. Dat willen we niet verbloemen.’
Het moet dus toch ook vooral informatief blijven?
‘Ja. Het is een fictieverhaal, maar wel met een factsheet aan het einde van het boek, met daarin de historische feiten. Daarbij is het Scheepvaartmuseum ook zijdelings betrokken geweest. We vinden het belangrijk dat we die feiten kunnen aanbieden zodat leraren op scholen dit boek kunnen gebruiken als aanknopingspunt, om het over die geschiedenis te hebben. Waar nu bijvoorbeeld vrijwel niet over wordt geleerd, is het feit dat Nederland aan het begin van de zeventiende eeuw genocide heeft gepleegd op de Banda-eilanden. Daarom wilden wij dat soort informatie nu wel meenemen.’
‘Daarin zit ook het belang van dit soort historische kinderboeken. Een lesmethode verander je niet zomaar, dat duurt jaren, dus daar zitten scholen vaak aan vast. Fictieverhalen, kinderboeken en films kunnen er voor zorgen dat kinderen al op jonge leeftijd ook andere perspectieven meekrijgen.’
Een deel van het verhaal speelt zich af in het Oost-Indisch Huis, een voormalig kantoor van de VOC dat nu eigendom is van de UvA. Waarom maakte jullie die keuze?
‘Dat gebouw heeft een belangrijke functie gehad in het VOC-systeem, maar is daarnaast ook gewoon erg mooi en spreekt tot de verbeelding. Ik heb er zelf een paar jaar gewerkt, en het heeft wel iets spannends. Als je door die gangen loopt voel je de zeventiende eeuw. Dat maakt het een mooie locatie voor een spannend verhaal.’
Zit daarin ook een verwijzing naar de rol van de universiteit in het uitdragen van deze geschiedenis?
‘Dat is een goed punt. De afgelopen jaren is er bijvoorbeeld veel discussie geweest over de functie van de VOC-zaal. Ik heb daar jaren geleden zelf nog diploma’s uit staan delen, toen had ik eigenlijk geen weet van de betekenis van die zaal. Daarna is de academische discussie op gang gekomen over wat we er nou mee moeten. Zo zijn er ook collega’s die vinden dat we die hele zaal niet meer zouden moeten gebruiken. Die vraag komt ook terug in het boek. De VOC-zaal is nep, nagemaakt, niet origineel of authentiek. We hopen dus wel dat volwassen die dat lezen aan het denken worden gezet. Wat voor functie heeft die zaal nog?’