De Khan Academy, Coursera, Udacity en EdX: online hoger onderwijscursussen schieten in de Verenigde Staten als paddenstoelen uit de grond. Nederland moet mee in die trend en het online onderwijs inpassen in het publieke domein.

Dat betoogde José van Dijck, hoogleraar mediastudies aan de UvA, afgelopen weekend in NRC Handelsblad. ‘Nederland zou voorop kunnen lopen in manieren om online educatiemiddelen in het publieke domein beschikbaar te maken en te houden, om zinvolle elementen in te zetten in onderwijspraktijken en uit te vinden wat werkt en wat niet.’ Als Nederland dat niet doet, vreest van Dijck dat al het online hoger onderwijs straks omgeven wordt door reclameboodschappen.

Volgens de hoogleraar mediastudies is duidelijk dat de initiatiefnemers van veel van deze websites ‘datagestuurd leren commercieel exploiteerbaar’ willen maken. ‘Nu wordt er nog niet gesproken over adverteerders; Marc Zuckerberg deed dat de eerste jaren ook niet. Toch is dat een zeer waarschijnlijk verdienmodel: adverteerders hebben niets liever dan een doelgroep van jonge, ambitieuze gebruikers die ze op basis van datapatronen gepersonaliseerde aanbiedingen kunnen sturen.’

Websites als Khanacademy.org en Coursera.org zijn inmiddels uitgegroeid tot grote virtuele instellingen die grote groepen via het internet bereiken. Of ze daadwerkelijk uit kunnen groeien tot reële alternatieven voor de traditionele universiteiten en hogescholen is nog maar de vraag, maar volgens Van Dijck staat vast dat de sociale cursussen het hoger onderwijs veranderen, zeker wat betreft didactiek.

Knappe koppen
Een andere inkomstenbron voor deze websites is volgens Van Dijck mogelijk geïnspireerd door LinkedIn. ‘Toekomstige werkgevers kunnen uit de cursusresultaten analyseren wie de knapste koppen zijn voor hele specifieke en hoog gespecialiseerde taken. Ze krijgen direct inzicht in het sociale gedrag van hun mogelijke werknemers: wie hielp andere cursisten? Hoe snel en loyaal stelden ze zich op? Een assessment is straks niet meer nodig: bedrijven zullen je tijdens je studie ongemerkt volgen en scouten.’

Daarmee hebben de Amerikaanse websites een goudmijn in handen. Volgens Van Dijck noopt het Nederland op een andere manier na te gaan denken over de online educatieve onderwijsmarkt. ‘Als we niet willen dat studenten voor onderwijs gaan betalen door de ontvangst van commerciële boodschappen of door het vrijgeven van hun persoonlijke data, moeten we manieren vinden om online educatie in te passen in de publieke sector.’