394 jaar geleden werd de voorloper van de universiteit, het Athenaeum Illustre, geboren in Amsterdam. In een kapelletje aan de Oudezijds Voorburgwal werden colleges in het Latijn gegeven aan de kinderen van de stadselite. Maar de stichting van het Athenaeum Illustre in 1632, en de twee eeuwen die daarop volgden, ging niet zonder slag of stoot.
Vossius en Barlaeus
Nog voor de oprichting van het Athenaeum Illustre werd er al bezwaar gemaakt tegen de komst van de illustere school in Amsterdam. Leiden bezat namelijk het privilegium exclusivum, het alleenrecht op een universiteit, in de gewesten Holland en Zeeland. Zij voorzagen dat de school in Amsterdam een opmaat zou zijn voor de stichting van een universiteit. De Leidenaren voerden dit bezwaar op tot aan de Hoge Raad. Maar tevergeefs. Ondanks ijverige pogingen om de school in Amsterdam te verbieden, werd er op 7 en 8 januari 1632 feest gevierd in de handelsstad: de oprichting van het Athenaeum Illustre was een feit. De stichters, Gerardus Vossius (1577-1649) en Caspar Barlaeus (1584-1648), bestegen de katheder en spraken over de voorspoed van Amsterdam en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden:
“Magis ac magis floreant Gymnasium, Ecclesia, et Respublica universa!”
Moge het gymnasium, de kerk en de gehele republiek steeds verder bloeien!
Barlaeus sprak over de wijze, erudiete koopman. Amsterdam bevond zich in de 17e en 18e eeuw namelijk in een gouden tijdperk. De handelsgeest zorgde ervoor dat het geld tegen de kades klotste en dat de nieuwe kennis uit de koloniën en andere werelddelen de Republiek binnenstroomde. Het maakte Amsterdam tot een hotspot voor cultuur en wetenschap, waardoor het Athenaeum Illustre al snel internationale bekendheid genoot. Zelfs de beroemde astronoom Galileo Galilei (1564-1642) overwoog om vanuit zijn ballingschap in Italië te emigreren naar Amsterdam en daar zijn ideeën over de kosmos te openbaren. Maar degene die daarvoor verantwoordelijk was, Athenaeums eerste sterrenkundige Martinus Hortensius (1605-1639), slaagde er niet in Galilei op tijd te overtuigen.
Benieuwd naar alle verhalen achter het Athenaeum Illustre? Luister dan naar de vijftiendelige podcastserie De Illustere Universiteit in je favoriete podcastapp.
Colleges
De colleges aan het Athenaeum Illustre waren openbaar toegankelijk. Ze dienden als vooropleiding voor de universiteiten in bijvoorbeeld Leiden, Utrecht of Groningen. Een soort gymnasium, waarbij de nadruk lag op vakken als de letteren, filosofie, vaderlandse geschiedenis, de Griekse en Romeinse oudheid, en de welsprekendheid. Lange tijd konden alleen mannen aan het Athenaeum Illustre studeren. Daar kwam in 1876 pas verandering in, toen Aletta Jacobs (1854-1929) als eerste vrouwelijke student naar Amsterdam kwam en haar artsexamen deed.
Het Athenaeum Illustre wilde zich meten met de grote universiteiten in internationale steden als Londen en Parijs en probeerde de beste hoogleraren uit de Republiek aan zich te binden. Denk bijvoorbeeld aan de hoogleraar geneeskunde Gerardus Leonardus Blasius (1722-1789), die de kiem legde voor het moderne academische geneeskundeonderwijs. Of Jean Henri van Swinden (1746-1819), een van de grondleggers van het metriekstelsel, die de studenten in Amsterdam de fijne kneepjes van de natuurkunde bijbracht.
Uiteraard gingen deze academische transfers niet onopgemerkt. Zo probeerden de universiteiten meermaals hoogleraren van het Athenaeum Illustre te verleiden tot een overstap. Soms lukte dat, soms ook niet. Zo sloeg de rechtsgeleerde Hendrik Constantijn Cras (1739-1820) meerdere aanbiedingen af van de Universiteit Utrecht en de Universiteit Leiden. Het Amsterdamse stadsbestuur had er destijds het astronomische bedrag van 2500 gulden voor over, wat Cras de bestbetaalde hoogleraar in de Republiek maakte.
Reputatie
Maar het schooltje in Amsterdam kende niet alleen tijden van voorspoed en borstklopperij. In den beginne raakte bijvoorbeeld de hoogleraar kerkgeschiedenis Alexander Morus (1616-1670) in opspraak. De vrome man zou een dienstmeid van een collega-hoogleraar hebben aangerand en werd voor de rechter gesleept. Daarnaast had hij zich schuldig gemaakt aan “arrogantie, bedriegerijen, en hoerenloperij”. Ondanks de achteraf slechte sier van de hoogleraar tastte het de reputatie van het Athenaeum Illustre verrassend genoeg niet aan.
Hoewel dit voorval afliep met een sisser was de reputatie van het Athenaeum Illustre sterk afhankelijk van de hoogleraren die er colleges gaven. Ze werden gekozen en betaald door het Amsterdamse stadsbestuur. Maar door financiële tekorten eind 17e eeuw moest er bezuinigd worden in de stad. Het Athenaeum Illustre delfde daarbij het onderspit. Gevolg was dat zittende hoogleraren niet meer werden opgevolgd en er in 1729 slechts één lector overbleef, een zeevaartkundige zonder graad: Matheus Soeten (?-1733). Het aanzien van het Athenaeum Illustre was daarmee op een dieptepunt beland.
In 1811 werd de school opnieuw op de proef gesteld. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was verleden tijd en de Nederlanden kwamen onder invloed van Frankrijk. We kregen onze eerste grondwet, een parlement en het onderwijs werd hervormd, met minder universiteiten en illustere scholen. De universiteit van Franeker werd opgedoekt en de illustere scholen in Deventer en Harderwijk werden gesloten. Was het niet voor de contacten van de eerder genoemde Van Swinden met de Franse keizer Napoleon Bonaparte, dan had het Athenaeum Illustre hetzelfde lot ondergaan.
Universiteit van Amsterdam
In tweehonderd jaar tijd overleefde het Athenaeum Illustre oorlogen, financiële crises en politieke hervormingen. Toch bleef één ambitie onvervuld: uitgroeien tot een volwaardige Amsterdamse universiteit. In de tweede helft van de negentiende eeuw zorgden hoofdstedelijk chauvinisme, politieke hervormingen en de Wet op het Hoger Onderwijs van 1876 uiteindelijk dat de weg daarvoor vrij werd gemaakt. De politieke daadkracht van de ex-hoogleraar rechtsgeleerdheid Gijsbert van Tienhoven (1841-1914) was daarbij cruciaal. Als wethouder van Financiën wist hij het Amsterdamse stadsbestuur te overtuigen en kreeg hij de financiering rond voor de nieuwe gemeentelijke universiteit.
Op maandagochtend 15 oktober 1877 kwam die eeuwenoude droom eindelijk uit. Wat bijna tweeënhalve eeuw eerder begon als een kleine illustere school in een kapel aan de Oudezijds Voorburgwal, werd verheven tot de Universiteit van Amsterdam. Het groeide uit tot de grootste universiteit van Nederland, met ruim zestig opleidingen en meer dan 40.000 studenten, van wie ruim een kwart uit het buitenland komt.