Er was een decennium aan bureaucratisch geruzie voor nodig, maar in 1976 kwam het Universitair Sportcentrum van de UvA er wonder boven wonder dan toch. Vijftig jaar later is het USC uitgegroeid tot de grootste sportorganisatie van Amsterdam. ‘Het was een logistieke nachtmerrie.’
Het is het voorjaar van 1974, en terwijl heel Europa in de ban is van kersverse songfestivalsensatie ABBA, wordt door de Universiteit van Amsterdam de eerste hand gelegd aan de bouw van een eigen sportcentrum. Een krappe twee jaar nadat de eerste paal de grond in is geslagen, kan op 5 mei 1976 de champagne ontkurkt: op die dag wordt het Universitair Sportcentrum (USC) van de UvA officieel geopend. Vandaag precies vijftig jaar geleden, werkten de allereerste studenten zich daar in het zweet.
Op dat moment wordt er trouwens nog niet op het Science Park gesport – de verhuizing naar die locatie zou pas in 2010 plaatsvinden –, maar aan de De Boelelaan in Amsterdam-Zuid. Op het eerste gezicht is dat een onlogische plek voor een UvA-voorziening, zoveel dichter bij de VU dan bij de eigen thuisbasis, maar het besluit om op de Zuidas te vestigen was dan ook het resultaat van jaren aan bureaucratisch geharrewar.
Logistieke nachtmerrie
‘Het was een logistieke nachtmerrie,’ zegt sporthistoricus Jurryt van de Vooren daarover. ‘Er waren zóveel besluitorganen die over de komst van dat sportcentrum gingen. Het ene moment had het CvB er ineens totaal geen interesse meer in, toen kwam er weer een bouwverbod vanuit een ministerie en later ging ook de Asva ervoor liggen. En dan had de gemeente ook nog eens overal iets over te zeggen. Er was telkens wel een partij die moeilijk deed.’
Het geruzie tussen alle betrokken partijen zorgde ervoor dat de UvA er pas tien jaar later dan veel andere universiteiten in Nederland – waaronder de VU – in slaagde centrale sportvoorzieningen voor haar studenten te organiseren, en dat de gewenste locatie van de Watergraafsmeer door de gemeente werd afgewezen. En dus werd het de De Boelelaan.
Gelukkig bleek de afstand tussen campus en sportcentrum geen groot probleem, het USC werd al gauw door een grote en brede groep UvA-studenten omarmd. ‘Er werd direct veel van de faciliteiten gebruik gemaakt,’ aldus Van de Vooren. ‘Zaalvoetbal en volleybal waren in die eerste jaren heel populair, de zalen waren stampvol. En de universiteit liep destijds voorop, op het gebied van individuele sporten, zoals krachttraining en fitness. Dat sloot perfect aan bij het dagelijks leven van studenten, die afhankelijk zijn van tentamenperiodes en vakanties, en dus soms weken niet komen opdagen. In het burgerlijke sportersleven kan je je dat niet veroorloven, in de studentensport dus wel.’
Gebroken polsen
In de beginjaren had het USC een wat bureaucratisch en ambtelijk karakter, mede doordat het beleid toen nog vanuit het Maagdenhuis kwam, waar niet veel praktische sportkennis aanwezig was. ‘Zo werden de muren te dicht op de randen van het veld geplaatst, waardoor studenten regelmatig hun pols braken wanneer ze zich tegen de muur te pletter liepen,’ vertelt Van de Vooren.
Dat veranderde toen het sportcentrum in de loop van de jaren ’90 meer zelfstandigheid kreeg, en de focus steeds nadrukkelijker kwam te liggen op de praktische behoeftes van de student, zo herinnert voormalig directeur Theo van Uden zich: ‘Toen ik in 1996 instapte was het USC nog niet de bruisende sportorganisatie die het later zou worden. We zijn ons steeds meer gaan richten op de klanten. Bijvoorbeeld door ook open te gaan in het weekend en in vakanties, en ons te focussen op trends in de sportwereld.’
Twintigduizend leden
Om in de jaren daarna tot de grootste sportorganisatie van Amsterdam (met meer dan twintigduizend leden) uit te kunnen groeien, moest het USC zichzelf dus doorlopend opnieuw blijven uitvinden. In de strijd om de schaarse tijd en aandacht van studenten moet bijvoorbeeld ook constant worden geconcurreerd met het rijke uitgaansleven dat de stad kent. ‘Het USC heeft altijd boven op de nieuwste trends en behoeftes van de studenten moeten zitten, omdat je in Amsterdam zoveel meer kan doen dan alleen sporten,’ zegt sporthistoricus Van de Vooren daarover.
Gedurende dit hele jubileumjaar organiseert het USC activiteiten om het vijftigjarig bestaan te vieren. Zo is er elke vijftigste dag van het jaar livemuziek te horen in alle sportscholen, en wordt er in november een groot sporttoernooi georganiseerd. Het officiële vieringsmoment is op 19 juni.
Het is een realiteit waar ook Natasja Bikkel, de huidige directeur van het USC, van doordrongen is. ‘We moeten heel scherp zijn op de recentste ontwikkelingen in de sportscholen en telkens zorgen dat we de aansluiting niet verliezen. Tegelijkertijd hebben wij ons nooit geprofileerd als een generieke sportschool, maar willen we echt een studentensfeer neerzetten,’ benadrukt ze. ‘Wij zijn er om een bijdrage te leveren aan een prettige studie-ervaring, door studenten de kans te geven om aan hun mentale en fysieke gezondheid te werken. Vooral de focus op mentale gezondheid is daarbij in de afgelopen vijftig jaar toegenomen, omdat de druk op jongeren alleen maar is gestegen.’
En dus zouden er voor iedere student sportfaciliteiten in de buurt moeten zijn, zo is altijd de ideologie van het USC geweest. ‘De sportschool die in de zomer van 2027 wordt geopend in het J/K-gebouw op REC is daar een prachtig voorbeeld van,’ zegt Bikkel. ‘Dat is iets waar we jaren voor gestreden hebben, dus we zijn heel blij dat daar nu een vestiging gaat komen. Onze toekomstvisie is dat we er, ook de komende vijftig jaar, voor alle studenten in Amsterdam willen zijn. Daarvoor moeten we dicht bij de studenten en dicht bij de campus zitten.’