Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!
Foto: Dirk Wolthekker
actueel

Betty Hogeweg-de Haart (103) over haar vooroorlogse studententijd aan de UvA

Dirk Wolthekker,
1 oktober 2019 - 07:35

Ze is vermoedelijk de oudste alumnus van de UvA en nog steeds alive and kicking: Betty Hogeweg-de Haart (103), sociaal geograaf en al voor de oorlog afgestudeerd. Een gesprek met een kwieke vrouw op de Internationale Dag van de Ouderen, vandaag 1 oktober.

Nee, we hoeven ons voor de afspraak met Betty Hogeweg niet te melden bij de receptie van een verzorgingshuis, want ze woont nog gewoon thuis, in het huis waar ze al zeventig jaar woont en daarmee het grootste deel van haar leven heeft doorgebracht. Het is zoals dat gaat met mensen die al zo lang in hetzelfde huis wonen: een huiskamer waar je het verleden ruikt en ziet. Oude boeken, foto’s en herinneringen. ‘Ik woon hier sinds 1947 in het mooiste huis van de straat, want ik heb geen overburen en dus vrij uitzicht.’

 

Op haar stoel voor het raam valt het herfstlicht naar binnen. Op tafel het gedenkboek dat haar familie voor haar maakte toen ze honderd werd. ‘Dat is al weer een tijdje geleden,’ zegt haar zoon, die bij het gesprek aanwezig is. Op gepaste afstand trouwens, want Betty Hogeweg heeft geen assistentie nodig bij het interview. Jaartallen lepelt ze moeiteloos op. Ze is gewoon goed bij de tijd, zou je kunnen zeggen. ‘Als u het interview hebt geschreven kan ik het dan nog even inzien? Als het kan wil ik wel graag wat inspraak.’

‘We verhuisden veel: naar Zwitserland en naar Indië. Daarom kreeg ik thuisonderwijs van mijn moeder’

Mevrouw Hogeweg, u bent stokoud. Realiseert u zich hoe oud u bent?

‘Nee, het is me gewoon overkomen. Ik heb er geen erg in gehad en er ook niets voor gedaan, al moet ik zeggen dat mijn ouders beiden in de tachtig zijn geworden. In deze tijd is dat misschien niet zo’n wonder, maar voor negentiende-eeuwers als mijn ouders waren, wel.’

 

U bent geboren midden in de oorlog, de Eerste Wereldoorlog wel te verstaan.

‘Ja, dat klopt. Ik ben geboren in 1916 in Zutphen, maar daar heb ik maar een paar weken gewoond. Mijn vader had in Delft gestudeerd en was mijnbouwingenieur. In hun studentenhuis in Delft wachtten ze op vertrek naar Nederlands-Indië, waar mijn vader zou gaan werken. Maar moeder had weinig behoefte om in dat studentenhuis in Delft te bevallen en ging naar haar eigen moeder in Zutphen, waar ik werd geboren. We vertrokken daarna voor korte tijd naar Zwitserland en zijn in 1919 vertrokken naar Nederlands-Indië, waar mijn vader ging werken bij de Bataafse Petroleum Maatschappij en later bij rederij Koninklijke Paketvaart-Maatschappij. We verhuisden veel. Daarom kreeg ik thuisonderwijs van mijn moeder. De verhuizingen maakten mij al vroeg zelfstandig in een wereld van volwassenen.’

 

U bent uiteindelijk op uw achttiende naar Nederland gekomen om te studeren aan de UvA.

‘Dat klopt. Ik kwam in 1934 naar Amsterdam. Ik had in de stad Soerabaja, op Java, de vijfjarige HBSDe Hogere Burger School (HBS) was een voorloper van de huidige Havo en het VWO. Er bestond een drie-, vijf- of zesjarige HBS-cursus. De HBS werd met de invoering van de Mammoetwet in 1968 afgeschaft. gevolgd, de enige middelbareschoolopleiding daar. Ik heb nooit overwogen in Nederlands-Indië te studeren. Je kon daar alleen rechten studeren in Batavia (nu Jakarta) en geneeskunde in Bandung. Ik vernam dat er een nieuw soort studie was opgericht in Nederland, namelijk de sociale geografie. Daar mocht je met een HBS-diploma aan beginnen. Voor veel andere studies gelieerd aan de letteren faculteit was toen een gymnasiumdiploma vereist. Sociale Geografie was een brede studie van de Verenigde Faculteiten der Wis- & Natuurkunde, Letteren en Wijsbegeerte, die naast vakken als sociografie, etnologie en sociale geschiedenis, ook bijvoorbeeld geologie en klimatologie omvatte. Sociale geografie kon ook in Utrecht, maar daar was de studie geografisch gericht, terwijl in Amsterdam de nadruk lag op het sociale, meer menselijke aspect en dat vond ik interessanter. De vreemde volken waren voor mij belangrijker dan de vreemde steden of dorpen.’

Betty Hogeweg-de Haart: ‘Na mijn studie volgde ik lessen op de Amsterdamse Huishoudschool, waar ik leerde om aardappelen te koken’

Waarom vond u juist het sociale aspect van de geografie interessant?

‘Ik had met mijn ouders op het Molukse eiland Ceram gewoond, waar ik als enig blank meisje speelde met de plaatselijke jongetjes op het strand, de meisjes speelden sowieso niet buiten, maar bleven in huis. Ik was opgegroeid in een heel etnisch gemengde maatschappij, wat maakte dat ik het sociale aspect van de opleiding interessant vond.’

 

Hoe zag uw studentenleven er uit? Is dat vergelijkbaar met het studentenleven van nu?

‘Hoe het studentenleven er nu uitziet kan ik niet goed beoordelen, maar ik heb het grootste deel van mijn studententijd gewoond op Herengracht 505, een pand dat toen net was aangekocht door de AVSV, de Amsterdamsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging. Daar deelde ik de bovenste verdiepingen met zes andere AVSV-leden en had ik een eigen kamer. Het was een vorstelijke kamer met twee ramen aan de grachtkant. Er was een echtpaar dat voor ons zorgde. Ik hoefde niet te werken om mijn studie te betalen: van mijn ouders kreeg ik maandelijks een bedrag dat ik bij de bank kon ophalen.

Ik ben lid geweest van de studentenroeivereniging Nereus, waar ik roeide in de acht. Ik was een geoefende roeister want ik had ook al geroeid op de rivier de Brantas, de langste rivier van Oost-Java. In december 1940 ben ik afgestudeerd en kort daarna verloofden mijn latere man en ik ons. In juli 1941 trouwden we en daardoor kon ik niet gaan werken: een getrouwde vrouw mocht in die tijd niet werken. Voordat we gingen trouwen volgde ik lessen op de Amsterdamse Huishoudschool, waar ik leerde om aardappelen te koken.’

‘Mijn vader en schoonvader dachten dat ze me de rest van hun leven financieel moesten blijven ondersteunen, maar daar had ik geen zin in. Ik was afgestudeerd en wilde mijn eigen boterham verdienen’

U werd al jong weduwe.

‘Ja, mijn man overleed al in 1948 nadat hij een paar maanden ziek was geweest. Ik bleef toen achter met drie kleine kinderen. Mijn vader en schoonvader ondersteunden mij aanvankelijk financieel en dachten dat ze dat de rest van hun leven zouden moeten blijven doen. Maar daar had ik helemaal geen zin in, ik was per slot van rekening in 1940 afgestudeerd en wilde mijn eigen boterham verdienen.’

 

Wat voor werk deed u?

‘Aanvankelijk gaf ik aan huis werkcolleges etnografie over de Indianen in Zuid-Amerika en ik publiceerde over de vrouwenbeweging. Later werd ik via-via benaderd door de secretaris van de Sociaal Wetenschappelijke Raad, een adviesorgaan voor de sociale wetenschappen en onderdeel van de KNAWDe Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen is een gemeenschap van hoogstgeleerde wetenschappers en een adviesorgaan op het gebied van wetenschap.. Ik moest er een register opzetten van lopend sociaalwetenschappelijk onderzoek in heel Nederland. Ik vond dat heel interessant werk omdat ik er zelf ook veel van opstak. Er kwam ook veel organisatorisch werk bij kijken, wat ik erg leuk vond en kennelijk goed kon, want ik werd directeur van het Sociaal Wetenschappelijk Informatie- en Documentatie Centrum (SWIDOC), wat ik ben gebleven tot aan mijn pensionering, nu al bijna veertig jaar geleden.’

 

Het is vandaag Internationale Dag van de Ouderen. Veel ouderen zijn eenzaam en als je zo oud bent als u heb je bijna geen generatiegenoten meer om mee te praten. Mist u dat?

‘Dat valt mee. Omdat ik nog redelijk gezond ben, kan ik ook contacten onderhouden met jongere generaties. Doordat ik mijn man al op heel jonge leeftijd verloor, ben ik ook gewend geraakt aan veel alleen zijn. Ik kan daar goed tegen.’