Foto: Maartje Strijbis (UvA)
actueel

Bij culturele antropologie kun je afstuderen zonder scriptie

Henk Strikkers,
21 mei 2019 - 14:52

Tussen de studenten die al wekenlang in de universiteitsbibliotheek zitten te zwoegen op een scriptie zul je weinig bachelorstudenten culturele antropologie & ontwikkelingssociologie tegenkomen. Een bachelorscriptie is daar namelijk geen voorwaarde voor je bachelordiploma. ‘Het niveau van sommige projecten doet niet onder voor wat ik op wetenschappelijke conferenties hoor.’ 

‘In het verleden hadden we wel een verplichte bachelorscriptie,’ vertelt Rob van Ginkel die het afstudeerproject bij de bachelor culturele antropologie & ontwikkelingssociologie coördineert. ‘Maar we kwamen daarmee een beetje in de knoop toen het 8-8-4-systeem werd ingevoerd. Die periode van vier weken in de zomer is erg beperkend,’ zegt hij. ‘We hebben goed naar onze eindtermen gekeken en gezocht naar een format dat studenten toetst op punten waarop ze nog niet zoveel getoetst werden. Daar is dit afstudeerproject uitgekomen.’

 

Facultatief

De nadruk in dat project ligt op onderzoek en op presenteren. Schriftelijke vaardigheden worden in het derde jaar al uitgebreid beoordeeld, vindt Van Ginkel: ‘Studenten moeten eerder in het jaar al twee essays van zesduizend woorden schrijven. Bovendien mogen studenten wel een bachelorscriptie schrijven binnen de vrijekeuzeruimte, als ze daar nog eens mee willen oefenen.’

‘Studenten moeten 350 pagina’s wetenschappelijke artikelen zoeken, lezen en samenvatten. Met name dat laatste vinden studenten soms moeilijk’

Het afsluitende onderzoeksproject van de bachelor culturele antropologie & ontwikkelingssociologie beslaat de laatste vier weken van het derde jaar. In de eerste week krijgen studenten een hoorcollege en moeten ze in drie dagen een opzet maken voor een essay, die de basis is voor de eindpresentatie. Een dag daarna krijgen ze feedback in een gesprek met hun begeleider. ‘Dat gesprek duurt driekwartier en daarin geeft een begeleider stevige feedback op hun opzet.’

 

Na dat gesprek hebben studenten een week om literatuuronderzoek te doen. ‘Ze moeten dan 350 pagina’s wetenschappelijke artikelen zoeken, lezen en samenvatten. Met name dat laatste vinden studenten soms wel moeilijk,’ zegt Van Ginkel. ‘Het is niet zo dat ze één boek van 350 pagina’s kunnen lezen, het moeten echt losse en recente artikelen zijn die van belang zijn voor hun presentatie.’

Studenten vinden het fijn dat ze direct hun cijfer krijgen

Miniconferentie

Met die presentatie wordt het project afgesloten. ‘Wij spreken bij onze studie over een miniconferentie,’ vertelt Van Ginkel. ‘Dat heeft ook met het niveau te maken: dat doet in sommige gevallen niet onder voor wat ik op wetenschappelijke conferenties hoor.’ Op die miniconferentie in de vierde week presenteren vier of vijf studenten met thematisch vergelijkbare onderwerpen in tien minuten de uitkomsten van hun literatuuronderzoek. Daarna stellen een beoordelaar en een cobeoordelaar vragen, en discussiëren ze met de andere studenten over hun onderzoek.

 

Studenten worden vooral beoordeeld op hun presentatie, maar ook op de opzet die ze moesten aanleveren, de samenvattingen die ze schreven, en hun bijdrage aan discussies. ‘Ik ben ook voorzitter van de examencommissie en zie daarom regelmatig cijferlijsten. De cijfers die studenten voor het afstudeerproject halen passen vaak goed bij de cijfers die ze voor andere vakken halen.’ Het is niet zo dat het vak gemakkelijker is, wil hij maar zeggen. Bovendien, zo zegt Van Ginkel, vinden studenten het fijn dat ze direct na de conferentie hun cijfer krijgen. ‘Dan is de spanning er meteen af.’

‘We zijn tevreden met dit afstudeerproject. We maken nu onze eindtermen echt waar’

Van Ginkel is tevreden over hoe het vak werkt en volgens hem wordt het vak ook goed beoordeeld door studenten. ‘Ze kunnen voor het eerst echt zelf een onderwerp kiezen waar ze een paar weken zelfstandig en intensief mee aan de slag kunnen. Natuurlijk zijn er weleens studenten die het eng vinden om zo’n lange presentatie te houden en daar tijdens het vak niet overheen komen, maar er zijn natuurlijk ook studenten die in hun scriptie vast lopen.’

 

Bezemklas

Echt vastlopen zal bij dit project niet gauw gebeuren, vertelt Van Ginkel. ‘Studenten moeten iedere week een deadline halen: eerst de opzet, dan het lezen en de samenvattingen, en dan de presentaties. Als ze die niet halen kunnen ze een half jaar later pas weer meedoen.’ Wanneer studenten wel alle deadlines halen, maar toch een onvoldoende scoren, is er in de zomer nog een bezemklas waarin ze het zelfde gaan doen, een soort herkansing.

 

Bij de antropologiemasters zijn er geen signalen dat studenten meer moeite hebben met het schrijven van een masterscriptie, laat Van Ginkel weten. ‘Al is dat ook moeilijk te monitoren omdat veel bachelorstudenten een andere master gaan doen.’ ‘Ik denk niet dat dit voor iedere studie werkt,’ zegt hij. ‘Misschien is het bij grote studies organisatorisch moeilijk, maar wij zijn blij. We maken nu onze eindtermen echt waar.’