Gevestigde politieke partijen zijn niet populistischer geworden in de afgelopen twee decennia. Bovendien worden populistische partijen minder populistisch bij electoraal succes. Dat blijkt uit onderzoek waar politicoloog Matthijs Rooduijn 21 maart op promoveert.

Matthijs Rooduijn Matthijs Rooduijn

U concludeert dat geen sprake is van een populistische tijdgeest in West-Europa. Hoe komt het dat veel mensen toch het gevoel hebben dat bijvoorbeeld Nederland de afgelopen tijd populistischer is geworden?
‘Dat komt omdat in Nederland sinds begin deze eeuw populistische partijen zeer succesvol zijn geweest, eerst de LPF en nu de PVV en in mindere mate ook de SP. Die partijen trekken meer kiezers dan bijvoorbeeld de rechts-populistische Centrumdemocraten van Hans Janmaat in de jaren negentig. In die zin is Nederland populistischer geworden. Maar de angst die mensen hadden is dat het succes van populistische partijen ertoe zou leiden dat ook gevestigde partijen populistischer zouden worden en de media tegelijk meer aandacht zouden besteden aan populistische ideeën, zodat burgers het populisme ook meer gaan omarmen. Zo zou een soort populistische spiraal ontstaan, een populistische tijdgeest. Uit mijn onderzoek blijkt dat van die spiraal geen sprake is.’

Waarom zouden we bang moeten zijn voor een populistische tijdgeest?
‘Bepaalde uitgangspunten van het populisme zijn bedreigend voor de liberale democratie zoals wij die kennen. In die democratie heeft de meerderheid het voor het zeggen, maar zijn mechanismen ingebouwd om minderheden te beschermen, de Eerste Kamer, de Raad van State en de grondwet bijvoorbeeld. De populistische roep om een sterke leider die namens het volk spreekt, of om directe raadpleging van het volk, ondermijnt die bescherming van minderheden.’

Hoe kwam u erachter dat gevestigde partijen niet populistischer zijn geworden?
‘Ik heb samen met studenten de programma’s van politieke partijen in Duitsland, Italië, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk en Nederland van de jaren 1988 tot 2008 onderzocht. Iedere alinea waarin “het volk” centraal werd gesteld en werd afgezet tegen een slechte elite, markeerden wij als een populistische alinea. Uiteindelijk kon ik dus statistisch aantonen dat geen sprake was van een populistische trend. Ik was daar wel door verrast, want had zelf ook verwacht dat we in een populistische spiraal zitten. Ook het gegeven dat populistische partijen minder populistisch worden na electoraal succes vind ik verrassend. Ik heb niet onderzocht waar dat door komt, maar kan me voorstellen dat ze enigszins inbinden wanneer ze eenmaal flink wat zetels hebben, zodat ze in de toekomst een serieuzer kandidaat zijn om een regering mee te vormen.’