Weekgast Yra van Dijk

Yra van Dijk (1970) is literair recensent van NRC Handelsblad, universitair docent Nederlands, en (mede-)organisator van de interdisciplinaire lezingenreeks ‘Het kraken van de code - over het interpreteren van digitale cultuur’.
Vrijdag 27 maart
Het was nog lang onrustig rond het Spui vannacht. Niemand had zin om naar huis te gaan na het debat over de stand van de roman waarin een indrukwekkende rij sprekers optrad: de schrijfsters Charlotte Mutsaers en Marjolein Februari en de critici Arjen Peters én Arjen Fortuin. Mijn lichte zenuwen (ik moest het debat leiden) golden dan ook eerder de beroemdheden op het podium dan het grote publiek, dat tot mijn plezier voor een flink deel uit onze studenten bestond. Het was dan ook het boek van hún hoogleraar dat hier gepresenteerd werd aan Harry Mulisch. De revanche van de roman gaat over de veranderde positie van de literatuur. Thomas Vaessens schudt graag af en toe de veren van het literaire kussen op. Genoeg stof dus voor een vurig debat: Is een roman die geëngageerd is interessanter dan een die dat niet is? Is niet alle literatuur geëngageerd? Maar het hoogtepunt van mijn avond kwam met een sms-je: ‘Alive and kicking.’ Mijn beste vriendin (39) over wat ze zag op haar eerste echo. Nog een poldermoeder in de maak.
Donderdag 26 maart
Wie wel eens heeft geprobeerd een barbiepop aan te kleden om zes uur ’s ochtends, weet hoe onmogelijk klein die roze jurkjes eigenlijk zijn in grotemensenhanden. Mijn ochtenden worden sowieso moeizamer naarmate de week vordert - de kinderen zijn moe en willen veel moederlijke aandacht. De reserve die ze in het weekend hebben opgebouwd, is blijkbaar uitgeput.
Zelf heb ik bovendien met Margriet Schavemaker, mijn collega van media en cultuur, (te veel) wijn gedronken gisteravond. Ook zij heeft twee kinderen en is full-time UD. Ook zij werkt de helft van de week tot na middernacht door, zodat ze zo nu en dan om drie uur bij de school kan staan. Ook zij is heel gelukkig met dit poldermoederen.
In het café concluderen we dat ‘Het kraken van de code’ - de reeks colleges over digitale cultuur die we samen organiseren, precies zo uitpakt als we hoopten. Dat belooft veel goeds voor volgend jaar, wanneer het een 10-punts keuzevak wordt. Of het nu gaat over digitale muziek of digitaal theater, zoals gisteren, of over digitale kunst zoals twee weken geleden: steeds blijken dezelfde zaken op het spel te staan, kwesties die raken aan het hart van onze kunstopvatting. Het belang dat we hechten aan één centrale auteur, aan romantische begrippen als ‘authenticiteit’ en originaliteit. De digitale kunstwerken roepen allerlei vragen op over onze beleving van kunst. Waarom vinden we het ‘Gesang der Jünglinge’ van Stockhausen eigenlijk zo ‘unheimlich’, zoals iemand in de zaal het omschreef? En hoe zit het eigenlijk met de muzikale ervaring die je opdoet bij het spelen van Guitar Hero?
Vandaag bestrijd ik verder mijn kater met veel thee bij het wegwerken van een berg klussen. Om drie uur fiets ik richting de school. Eerst de mama-reserves maar weer eens opbouwen. Werken kan tenslotte ook ’s nachts.
Woensdag 25 maart
Gisteravond mijn beste beentje voorgezet in het literaire bedrijf, en poëzie-bundels beoordeeld voor het Fonds voor de Letteren. Weer ervoer ik de spagaat van het vak van letterkundige. Want waar we de studenten enerzijds leren dat ‘literaire kwaliteit’ berust op een afspraak, een samenzwering (in de woorden van Lisa Kuitert) staan we er wel op dat ze de canon lezen, en schrijven we ’s avonds bovendien juryrapporten of recensies waarin we zonder blikken of blozen zeggen wat echte literatuur is, en wat niet.
Waarom letterkundigen dat doen? Omdat we graag Belangrijk willen zijn natuurlijk. En ook omdat we iets weten van literatuur waar we de samenleving mee kunnen verrijken - een vorm van ‘kennistransfer’ die de UvA zo hoog in het vaandel heeft. Maar vooral omdat het prettig is om eens in de zoveel tijd met anderen gepassioneerden te praten over boeken, in plaats van over rendementscijfers en de derde geldstroom. Dat klinkt zuur, en dat is het ook. Het is moeilijk om niet voortijdig te verzuren met de bezuinigingen bij geesteswetenschappen. Het onderwerp is niet te vermijden, het dwaalt hier over de gangen als een geest. Ik zal er verder over ophouden, wie wil weten hoe het zit kan terecht bij de artikelen hieronder.
Ik geniet ondertussen van mijn vrijheid in deze toetsweek, vond zelfs de tijd om net ‘zomaar’ bij een tutorial over Martha Nussbaum te gaan zitten, gegeven door onze jongste en slimste docent. Luisterend naar haar inspirerende verhaal zat ik te broeden op slinkse plannetjes om haar voor ons te behouden, ondanks de bezuinigingen. De universiteit kan zich niet veroorloven om zulke docenten weg te sturen. Voor kennistransfer is immers wel kennis nodig.
Over de bezuinigingen: Een column van Marita Mathijsen, hoogleraar Moderne Letterkunde aan de UvA: http://home.medewerker.uva.nl/m.t.c.mathijsen-verkooijen/bestanden/De%20alfaschrapers.doc
Een interview met Job Cohen over het geesteswetenschappen-rapport dat onlangs verscheen onder zijn voorzitterschap: http://www.mareonline.nl/artikel/0809/18/08/achtergrond/)
Dinsdag 24 maart
Van digitale literatuur mag ‘kwaliteit’ moeilijk vast te stellen zijn, bij gewone literatuur is dat al net zo ingewikkeld. Daarover ging de stelling die Lisa Kuitert, hoogleraar boekwetenschap, gistermiddag presenteerde in Spui 25. Niet de lezers beslissen wat literatuur is, maar uitgevers en recensenten in een ‘samenzwering’ die meer te maken heeft met persoonlijke en economische belangen dan met de inhoud van de boeken zelf. Hoewel Kuitert geestige en actuele voorbeelden gaf, is het natuurlijk een oud verhaal - we leren het onze eerstejaars zodra ze hier binnenkomen. Marc Kregting schreef het vijf jaar geleden al overtuigend op in Zij zijn niet van Jeremia, waar Kuitert ook naar verwees. De zaal was overigens goed gevuld met degenen die dagelijks deel uitmaken van deze samenzwering, maar zich allerminst aangesproken leken te voelen - mijzelf incluis. Blijkbaar denkt iedereen van zichzelf dat hij of zij wél onafhankelijk en zuiver opereert in ‘het literaire bedrijf’.
Vanmorgen bij het ontwaken eerst de ‘dagelijks herhaalde wedloop’ tegen de tijd die Hella Haasse fantastisch beschrijft in haar autobiografische Zelfportret als legkaart (1954). Hoe kom je van kinderen die in hun hemdjes vol ‘buitelzucht’ door het huis springen, ‘onbewust van tijd’, tot twee kleuters die klaar zijn voor school? Bovendien zat Haasse (net als Dèr Mouw) zonder meid, zodat zij zich moet storten op ‘etensresten, vet afwaswater, vuil zeepsop, haardotten, stofnesten (..)’.
De rest van haar litanie zal ik u onthouden. Waar het de jonge schrijfster om ging was dat inspiratie maar moeilijk samengaat met zulke uitzichtloze handelingen. Dealniettemin concludeert Haasse met een onnavolgbare wending dat vrouwen toch niet voor het ‘volle leven’ mogen kiezen. In die gevolgtrekking weiger ik mee te gaan, en ik stort me het volle leven van mijn dag in. Let stofnesten be stofnesten.
Maandag 23 maart
‘Ik ben Brahman. Maar we zitten zonder meid’, klaagde de dichter Dèr Mouw al. Het is, bedoelde hij, niet eenvoudig om geïnspireerd te zijn als je tegelijk moet nadenken over de afwas of je bordje havermout. Nu zitten wij gelukkig niet zonder ‘meid’, maar onze lieve Marokkaanse hulp is tot haar grote verdriet zwanger van haar derde kind, zodat ze net zoveel aandacht nodig heeft als haar werk ons aan tijd oplevert. Ik ruim eerst zelf vast het hele huis op, drink koffie met de hulp, bespreek in voorzichtige termen mogelijke voorbehoedsmiddelen (sterilisatie is niet aan de orde voor Marokkaanse mannen, hoor ik van haar), terwijl ik niet probeer te denken aan de zee van gele plakkertjes die me op mijn bureau ligt op te wachten.
Pas om tien uur kom ik aanzetten op het PC Hoofthuis. Gelukkig is het toetsweek. Ik profiteer met twee collega’s van de stilte om een researchmaster-module voor volgend jaar in elkaar te draaien. Docenten zijn net mode-ontwerpers, ze lopen altijd een seizoen voor.
Daarna beantwoord ik de meest urgente mail, namelijk een wat ongerust bericht van Poetry International – ik mag op hun festival in juni een hele avond vullen over digitale poëzie. Ze willen nu wel eens weten weten wat ik van plan ben. Maar dat weet ik zelf nog niet. Het probleem is namelijk: hoe breng je digitaal werk eigenlijk op een podium? Een tweede probleem: Poetry International staat bekend om kwaliteit: het moet het beste van het beste zijn. Een digitale canon bestaat nog niet: niemand weet in welke termen je deze bewegende, interactieve of multimediale gedichten moet vangen – laat staan wat iets glibberigs als kwaliteit hier zou inhouden.

















Collegevoorzitter Karel van der Toorn is opeens opgestapt. Wie moet hem opvolgen?
