Weekgast Margo Trappenburg

Margo Trappenburg (1962) bekleedt aan de UvA de bijzondere leerstoel ‘Sociaal-politieke aspecten van de verzorgingsstaat’, beter bekend als de Drees-leerstoel. Aanstaande donderdag (24 september) houdt zij haar oratie, tevens de Drees Lezing 2009.
Vrijdag 25 september
Na de oratie is iedereen erg aardig. Er zijn Amsterdamse collega’s, Utrechtse collega’s, Rotterdamse promovendi en zelfs onderzoekers uit Groningen, met wie ik zo nu en dan onderzoek doe in projectgroepverband. Mijn Leidse vriendinnen hebben een koektrommel gekocht met biscuitjes, naar de bekende anekdote over Drees, die in 1947 twee hoge Amerikaanse ambtenaren op bezoek kreeg in zijn woning aan de Haagse Beeklaan. Mevrouw Drees zou bij die gelegenheid mariakaakjes hebben geserveerd en dit had de doorslag gegeven bij de Amerikaanse afwegingen over Marshall hulp voor Nederland. Een land waarvan de premier zo zuinig leefde, moest zeker worden geholpen. Het was een anekdote van langjarig minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns en de kleinzoon van Drees (die ’s avonds naast mij zit tijdens het diner) betwijfelt of het mariakaakje overleg werkelijk heeft plaatsgevonden, maar het verhaal is te mooi om uit het collectieve Nederlandse geheugen te verdwijnen.
Tussen de receptie en het diner heb ik tijd om bij te praten met mijn naar Hoogezand en Wommels (bij Waaksens, onder Bolsward) geëmigreerde vriendinnen. Op een Amsterdams terras in een prachtige nazomerzon bedenken zij dat het leven in het hectische westen toch zo slecht nog niet was en dat hun puberkinderen later best hier mogen gaan studeren.
Bij thuiskomst zijn er de stapels nieuwe boeken die ik heb gekregen, lieve kaarten, lieve mailtjes, prachtige nieuwe oorbellen van mijn familie (als tegenwicht voor de foute toga en het saaie broekpak), en bloemen. Heel veel bloemen. In emmers. Die ga ik nu allemaal in mooie vazen zetten.
Donderdag 24 september
De secretaris van het bestuur van de Stichting Willem Drees lezing (de instantie die mijn leerstoel in stand houdt) heeft een verontrustend telefoontje gekregen van het partijbestuur van de PvdA. De FNV schijnt van plan te zijn om de Drees lezing aan te grijpen om te protesteren tegen de verhoging van de AOW leeftijd. Zij zullen leuzen gaan schreeuwen en spandoeken meevoeren waarop staat dat Drees zich zou omdraaien in zijn graf. Dat is niet zo, zegt de secretaris, die een groot kenner is van het leven en werk van Drees, maar ja, dat zal de FNV niet tegenhouden. Wil jij de UvA waarschuwen? Ik krijg een visioen van een zaal vol herrie en rondvliegende tomaten. Ik stuur een mailtje naar de pedel en trek vervolgens mijn nette pak aan. Mijn modebewuste nichtje zal mij later die middag uitleggen dat de toga voor kleinere vrouwen een volkomen ongeschikte dracht is en dat een grijs broekpak daaronder het allemaal niet veel beter maakt, maar de journalist van BNR nieuwsradio zegt hoffelijk dat ik er keurig uitzie, helemaal goed voor de gelegenheid.
Van de demonstratie buiten het hek, die er inderdaad blijkt te zijn, krijg ik tijdens mijn oratie niet veel mee. De pedel vertelt dat ze twee beveiligers heeft laten neerzetten en blijkbaar was dat voldoende om de orde te bewaren. Wie geïnteresseerd is in de inhoud van mijn verhaal: in de NRC van aanstaande zaterdag staat een ingekorte versie.
Woensdag 23 september
De mevrouw van de Borstkankervereniging (mijn vorige leerstoel ging over patiënten en patiëntenorganisaties) stuurt een zorgelijke mail. Of ik het wel weet te vinden volgende week. Of ik op tijd kom. Of ik haar standaard powerpoint lay-out wil gebruiken. Of ik er wel aan denk om ook iets aardigs te zeggen over mannen met borstkanker. Of ik een vervanger voor mijzelf weet voor als ik onverhoeds verhinderd ben.
Een vervanger? Ik ben toch geen bewindspersoon die op elk moment naar de Kamer kan worden geroepen en die voor dergelijke gevallen een ambtenaar achter de hand heeft?
Nee, maar ik kan Mexicaanse griep krijgen.
Dat risico gaan we maar nemen, besluit ik.
De rest van de dag moet ik van de weeromstuit af en toe niezen. Laat ik er alsjeblieft aan denken morgen een zakdoekje in de mouw van mijn toga te proppen.
Van 10 tot 1 geef ik college aan mijn Utrechtse masterstudenten. Zij hebben zich goed voorbereid en voeren een mooie discussie over de totstandkoming van beleid.
Om drie uur belt de redactie van BNR Nieuwsradio om een interview (morgenochtend) voor te bespreken. Mag je een rede die je nog niet gehouden hebt, op de radio alvast uitleggen? Dat weet ik eigenlijk niet, maar als het niet mag heeft zo’n interview natuurlijk niet veel zin.
De rest van de dag besteed ik aan het maken van een aangepaste versie van mijn lezing voor de krant. Eerst schrijf je een uitgebreide versie van zo’n verhaal. Wetenschappelijk verantwoord, met allerlei voetnoten. Dan maak je een spreekversie, die veel en veel korter is. Die kort je weer in tot een derde daarvan voor de krant. Er komt een moment dat je het allemaal in één enkele alinea kunt samenvatten. ‘Heb je misschien een soundbite voor de UvA-website?’ vroeg de mevrouw van de communicatie-afdeling. Het kan altijd nog korter.
Dinsdag 22 september
Een bijzonder hoogleraar is iemand die een of twee dagen per week hoogleraar is. De rest van de week is hij of zij advocaat, praktiserend medicus, ondernemer of – zoals in mijn geval – wetenschapper aan een andere universiteit. Ik ben het grootste deel van de week hoofddocent bij de bestuurskunde opleiding van de Universiteit Utrecht. Eerder was ik al een paar jaar bijzonder hoogleraar aan de Erasmus Universiteit.
Het aardige van deze positie is dat je goede onderwijsvoorbeelden van andere universiteiten mee kunt nemen naar huis. Toen ik in Rotterdam mijn eerste master- afstudeerders kreeg, bleek dat ze daar werkten met afstudeergroepjes van drie of vier studenten, in plaats van met individuele begeleiding. Ik heb dit in Rotterdam uitgeprobeerd en ik doe het nu in Utrecht nooit meer anders. Studenten hebben steun aan elkaar en jutten elkaar op (‘Is Nicole al wel klaar dan? Shit!’).
Omgekeerd draag ik elders de Utrechtse praktijken uit. Ons belangrijkste pluspunt is een vaste instroom van 90 eerstejaars, dankzij een numerus fixus en een toelatingsprocedure. Dat bevordert het rendement, het leidt tot stabiliteit in de opleiding en het houdt het aantal bestuurskundigen beperkt. Dat laatste is ook een enorm voordeel. Er wordt in dit land teveel bestuurd, gemanaged en beleid gemaakt.
Hoe dan ook: vandaag bereid ik gewoon mijn colleges voor. Voor mijn cursus in Utrecht en voor die in Amsterdam. Ook heb ik mij voorgenomen een begin te maken met een lezing voor het jubileum van de Borstkanker Vereniging Nederland (volgende week zaterdag).
Maandag 21 september
De laatste dagen ontvang ik gedurig mailtjes van mijn promovendi. Of ik al zenuwachtig ben. Het moet natuurlijk niet gekker worden. Promovendi horen zelf zenuwachtig te zijn. Voor hun promotie. Een promotie is bloedstollend, dat weet iedereen die ooit gepromoveerd is. Mijn eigen promotie (in 1993) staat me nog scherp voor de geest. Een hele reeks hoogleraren in indrukwekkende toga’s achter de groen beklede tafel van de Leidse senaatskamer (een prachtige zaal, maar dat is op zo’n moment niet aan je besteed). En al die hoogleraren mochten een thuis voorbereide vraag voorlezen van papier, terwijl ik mijn antwoorden ter plekke moest bedenken.
Een oratie is daarbij vergeleken een eitje. Goed, het is een vreemd genre. Drie kwartier voorlezen voor een publiek bestaande uit:
collega’s (grofweg tussen de 24 en de 64),
prof. dr. W.B. Drees (55, kleinzoon van Drees sr., zoon van Drees jr.)
mijn zoon (11),
mijn nichtje (16; ‘Gaat het over de verzorgingsstaat? Daar heb ik een onvoldoende voor gehaald op school!’),
mijn neefje (13),
mijn schoonvader (77).
Probeer maar eens een toon te treffen, waarmee je al deze personen bedient.
'Ik verdring de zenuwen,' mail ik aan mijn promovendi. Maar verdringen is niet eenvoudig als je ondertussen publiciteit moet organiseren voor je verhaal, herinneringsmailtjes moet sturen aan genodigden en het oratieprotocol moet doornemen met de pedel.

















Collegevoorzitter Karel van der Toorn is opeens opgestapt. Wie moet hem opvolgen?
