Weekgast Linde Luijnenburg
Linde Luijnenburg (25) is derdejaars studente Italiaans. Ze studeerde kunstgeschiedenis (MA) en doet een jaar Erasmus in Rome voor haar BA Italiaans. Ze was vorig jaar voorzitter van de studievereniging Convivio en gids in het Stadsarchief van Amsterdam, nu geeft zij Engels aan Italiaanse studenten.

Donderdag 22 april
Normaal gesproken heb ik op donderdag college, maar aangezien ik binnenkort naar Florence ga voor onderzoek voor mijn scriptie kunstgeschiedenis, is mijn doel vandaag om ter voorbereiding foto’s te maken van alle Romeinse schilderijen van Domenico Cresti, beter bekend onder zijn artiestennaam il Passignano (1559 -1638). Hij was een door Italië reizende succesvolle Toscaanse laatmaniërist die tijdens het hoogtepunt van zijn carrière veel pauselijke opdrachten kreeg en in het begin van de zeventiende eeuw een aantal jaren in Rome heeft gewoond. Over de voorstudies voor zijn Romeinse schilderijen schrijf ik mijn scriptie.
Op de fiets vertrek ik richting het centrum. Via Ostiense is heel druk en ik ben blij als ik heelhuids aankom bij de afslag naar het ‘fietspad’ langs de Tiber. Ik daal af en het lawaai van de voorbijscheurende auto’s wordt langzaam zachter. Ondanks dat het wegdek verre van ideaal is, fiets ik toch liever beneden, langs de stille kant van de Tiber, dan over de drukke autoweg boven mij. Ik blijf fietsen in Rome gevaarlijk vinden en fiets voornamelijk in de binnenstad, op autoloze zondagen over de Via Appia, door de prachtige parken die Rome rijk is (Villa Doria Pamphilj is mijn favoriet) en dus langs de stille benedenweg langs de Tiber.
’s Avonds heb ik weer tennisles – dit keer ben ik stipt op tijd – om vervolgens samen met mijn huisgenoot en gezamenlijke vrienden een risotto alla milanese te verorberen.
Woensdag 21 april
Het is deze week voor Erasmusstudenten de ‘settimana della cultura’, de cultuurweek, en vandaag wordt er een bezoek gebracht aan Palazzo Braschi en het Museo Baracco. We verzamelen bij het standbeeld van Giordano Bruno op de Campo de’ fiori, en ik realiseer mij dat ik veel te weinig in het centrum kom. Echte Romeinen komen daar naar eigen zeggen ook niet vaak; zij wonen in wijken als Testaccio, San Paolo en Garbatella.
Garbatella werd in de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw onder Mussolini gebouwd. Door de aanleg van de Via dell’Impero, de ‘weg van het rijk’, raakten veel bewoners hun huizen kwijt. Om hen tegemoet te komen werd onder andere Garbatella gebouwd, toen ver weg van de binnenstad. Wat uitgangspunt betreft heeft de architectuur van Garbatella veel weg van de Amsterdamse School: men wilde voor de lagere middenklasse goedkope huizen bouwen die er toch aardig uitzagen. De buurt kreeg als bijnaam ‘Barocchetto’, ‘Barokje’, en inderdaad zijn de behuizingen van veel versieringen en lijsten voorzien en bestaan ze uit concave en convexe vormen, maar het materiaal is goedkoper (kaal beton) en de huizen zijn klein.
Mijn vaste hardlooproute loopt midden door deze ‘tuinstad’ (andere bijnaam) en elke keer kom ik gelukkig thuis. Zo ook vandaag.
Dinsdag 20 april
Op het KNIR worden dinsdags vaak presentaties gegeven van beursalen die er onderzoek doen, maar helaas is dat vandaag niet het geval, dus ik blijf thuis. In mijn kamer heb ik alle benodigde literatuur bij de hand, maar door het balkonraam heen hoor ik auto’s toeteren, mensen roepen, sirenes loeien en honden blaffen...
Ik lunch op mijn zonovergoten balkon en drink daarna een espresso met een vriendinnetje dat net terug is gekomen uit Sicilië, alwaar zij niet alleen haar moeder, maar ook UvA-studenten Italiaans heeft moeten achterlaten. Die zijn gedwongen hun studiereis te verlengen; door de vulkaanuitbarsting gaan er nog steeds geen vluchten naar Nederland. De Siciliaanse rustgevende atmosfeer blijkt geen baat te hebben: de studenten willen naar huis en de moeder is ten einde raad. Busreizen zijn duur, oncomfortabel en duren eindeloos. Verplicht vakantie houden is zo makkelijk nog niet.
’s Avonds arriveer ik te laat bij mijn tennisles; de leraren grappen in het romanaccio, het nauwelijks verstaanbare Romeinse dialect, dat ze dachten dat Noord-Europeanen toch altijd zo punctueel waren, “ma te sei diventata più rrromana de noi”, “jij bent Romeinser geworden dan wij”. In werkelijkheid heb ik nog steeds moeite om hun binnensmondse taal te verstaan. Ik blijf me verbazen over één van de leraren, die zo zwaarlijvig is dat hij nauwelijks kan rennen en dat probeert te compenseren door te schreeuwen en te schelden, wat zijn didactische kwaliteit niet ten goede komt. Maar we lachen er om en spelen gewoon door.
Maandag 19 april
’s Ochtends vertrek ik naar het Koninklijk Nederlands Instituut te Rome (KNIR) waar ik vaak studeer, aangezien ze een aardige collectie boeken hebben en ik letterlijk allergisch ben voor de universiteitsbibliotheek van Roma Tre: ik begin te niezen zodra ik daar binnenkom.
Tijdens de ochtendspits is de metro niet de fijnste plek in Rome: de treinen zijn zo volgepropt dat men, tegen elkaar aangeplakt van de hitte, de adem inhoudt om naar binnen of naar buiten te komen. Maar het wandelingetje van de metrohalte naar het instituut door de Villa Borghese doet mij goed: ik ruik versgemaaid gras en hoor vogels en voorbijgangers fluiten.
In het instituut schrijf ik aan mijn scriptie voor Italiaans. Vorige week heb ik Ettore Scola geïnterviewd, de regisseur van de beroemde film Una giornata particolare (1977) waarover mijn scriptie gaat. Hij vertelde over de agressie jegens homoseksuelen in Italië in de jaren zeventig en de moord op Pier Paolo Passolini, een dierbare vriend van hem. De film, die zich afspeelt tijdens het bezoek van Hitler aan Italië in 1938, was dan ook meer een aanklacht tegen de vooroordelen over homoseksuelen en andere onderdrukten in de samenleving, dan een film over het fascisme. Net als in bovengenoemde film, worden homoseksuelen en (huis)vrouwen nog steeds in Italië onderdrukt, stelt hij.


















Moet de universiteit een nieuwe bul verstrekken aan een tot man getransformeerde oud UvA-studente?
