Weekgast Frank Bovenkerk
foto Bram Belloni
Frank Bovenkerk (1943) is cultureel antropoloog en was tot vorig jaar hoogleraar in de criminologie aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen van de Juridische Faculteit van de Universiteit Utrecht. Op 8 april spreekt hij zijn oratie uit als bijzonder hoogleraar op de FORUM Frank Buijs leerstoel Radicalisering Studies aan de FMG.
Vrijdag 9 april
De onderwerpen waar ik mij wetenschappelijk mee bezighoud, trekken meestal publieke aandacht. Ik maak mezelf wijs dat ik ze daarom niet uitkies, maar het zijn inderdaad nogal eens actuele sociale problemen. Nu is dat het deradicaliseringsbeleid. De Nederlandse overheid stelt van alles in het werk om jongeren die zich tot radicale denkbeelden bekeren, op het juiste pad te brengen. Ik heb daar principiële bezwaren tegen: iedereen heeft wat mij betreft het recht op zijn eigen onzin, althans zolang hij daar anderen geen kwaad mee doet. Politieke radicalen doen dat laatste een enkele keer wél en ontwikkelen zich tot terrorist. Hoe kunnen we die tegenhouden? De moeilijkheid is dat je vooraf niet weet wie wel en wie niet gevaarlijk zal worden. Er is nog geen wetenschappelijk betrouwbaar 'profiel' van een terrorist gemaakt en er zijn gevallen waar een mens met de snelheid van één dag voldoende radicaliseert om een bom te gooien.
De overheid wil er zo vroeg mogelijk bij zijn en moslims die een baard laten staan (of hem juist afscheren!) of jongens die op Londsdale-schoenen rondlopen, daarop aan kunnen spreken. Om dat te doen moeten functionarissen die met radicalen te maken kunnen krijgen: de wijkagent, de onderwijzer, de straathoekwerker enz., leren hoe ze dergelijke gevallen aan moeten pakken.
Dat lijkt mij nu helemaal geen goed idee want dat kunnen de meesten van hen niet en ik heb absoluut sympathie voor de 'professionals' die zeggen dat ze daar niet aan meedoen omdat hun beroepscode dat verbiedt. Met die stellingname ga ik recht in tegen het beleid van het Ministerie van BiZa en men zal het niet leuk vinden. Lang hoef ik niet te wachten. Een dag na mijn voordracht (en na aandacht in de pers: dat is het breekpunt) word ik al dringend opgeroepen om mij maandagochtend in Den Haag te vervoegen om mij uit te laten leggen hoe het beleid werkelijk in elkaar steekt. Twijfelachtig argument: ik zou met mijn opinie het vertrouwen in de overheid nog verder ondermijnen dan nu reeds het geval is.
Hoe moet je daar als beoefenaar van de wetenschap op reageren?
De ambtelijke wereld doet zich aan onderzoekers als ik ben, voor als een labyrint van onafhankelijke bolwerkjes. Soms zijn ze het eens, maar de ambtenarij is vergeven van stammenstrijd. Ik geloof dat de conclusie die nu wrevel opwekt, het bijvoorbeeld toevallig aardig doet bij de geheime dienst AIVD. Het enige juiste standpunt voor een geleerde is natuurlijk om volstrekte geestelijke onafhankelijkheid na te streven. Dat is lang niet voor iedere collega zo gemakkelijk want velen zijn voor hun succes afhankelijk van opdrachten van diezelfde overheid. Ik heb me daar nog nooit iets van aangetrokken en dat draagt, hoop ik, bij aan m'n reputatie. Lang leve de wetenschappelijke vrijheid! Ik reis maandagochtend graag af naar Den Haag. Benieuwd wat de dames en heren me te vertellen hebben.
Donderdag 8 april
Op de ochtend van 8 april voordat ik ’s middags mijn inaugurele rede houd, hebben we een mini-conferentie georganiseerd in de Doelenzaal van de Universiteit(sbilbilotheek). Het gaat over de manier waarop mensen uit criminele organisaties stappen. Centraal staat de vraag hoe mensen (hun voornemens tot) terroristische daden opgeven en hoe ze daarbij door overheidsingrijpen kunnen worden geholpen. Er zijn geleerden gekomen uit Amerika (Richardson spreekt over deprogrammeren van mensen in obscure sekten), uit Jerusalem (Amir vertelt over het verlaten van de georganiseerde misdaad), uit Olso (Bjørgo heeft ervaring met radicale nazi’s), uit Belfast (Maruna weet hoe delinquenten die te oud worden of die een fatsoenlijke vriendin tegen het lijf lopen, algemeen met misdaad stoppen), Wenen (Schmid) en Amsterdam (Tillie) die beiden over disengagement van terrorisme spreken. De spreker waar ik veel verwacht heet Abé Sahetapy. Hij is zelf één van de Molukse activisten - toen spraken we nog niet over terroristen - die de trein in Wijster in 1975 hadden gekaapt om de strijd voor de onafhankelijke Republiek van de Zuid-Molukken in de wereld bekend te maken en die de Nederlandse regering wilden bewegen om dat streven tegen de republiek Indonesië te steunen. Bij die actie werden drie onschuldige Nederlandse treinpassagiers afgemaakt. De kapers hebben een lange gevangenisstraf uitgezeten en daarna toch een burgerlijk bestaan opgebouwd. Sahetapy (nu achter in de vijftig) zal ons vertellen dat hij weliswaar geweld als middel heeft opgegeven, maar dat hij nog steeds achter zijn politieke beweegredenen van destijds staat. Hij vormt de levende illustratie van het argument in mijn rede dat mensen hun politieke radicalisme mogen koesteren, maar dat ze uit de criminaliteit moet halen. Ik houd m’n hart vast, zal Sahetapy het Engels aankunnen? Hij slaagt wonderwel, hij wordt het emotionele hoogtepunt van de conferentie.
Vanmiddag zal ik mijn oratie voorlezen aan een publiek in de aula van de universiteit. Daar kan niet veel misgaan. Je staat op een kleine stelling in het spreekgestoelte en leest een geprepareerde tekst voor. Gisteravond nog even gecontroleerd of de tekst de juiste lengte had want hij moet in precies 45 minuten passen. Toen bleek hij ruim 40 procent te lang. Dat mij zoiets stoms nog moet overkomen!
Tot diep ik de nacht haal ik stukken tekst weg zonder de structuur van de argumentatie te beschadigen. Killing your darlings heet dat. Ik leg aan de zaal uit dat ze over een maand of twee de volledige tekst gedrukt zullen ontvangen en daar staan dan ook alle relativeringen, bronverwijzingen en illustratieve anekdotes is. Aan het einde van mijn voordracht kom ik toch nog een beetje in tijdnood. De pedel trippelt langzaam maar meedogenloos naar voren de zaal in.
Ik ben aangeland bij het dankwoord waarin ik mijn leermeester Köbben die inmiddels de achtenswaardige leeftijd van flink over de tachtig heeft bereikt, toespreek. Dan is het voorbij en begint de vrolijke receptie.
Woensdag 7 april
Morgen, op 8 april, houd ik (Deo Volente) mijn entreerede als hoogleraar Radicaliserings Studies. Het is nogal ongewoon, want ik ben 66 jaar oud en vorig jaar heb na meer dan 20 jaar hoogleraar criminologie te zijn geweest aan de Universiteit Utrecht, daar mijn afscheidsrede gehouden.
Ik vond het toen vervelend om op te stappen want ik wilde en kon nog steeds door, maar sinds 1983 ontslaat de universiteit al haar werknemers bij het bereiken van de vijfenzestigjarige leeftijd. In een opstandige bui heb ik nog overwogen de universiteit voor de rechter te dagen wegens leeftijdsdiscriminatie, maar mijn kansen zouden nihil zijn. Vijftien jaar geleden is zoiets al geprobeerd door de Rotterdamse staatsrechthoogleraar Henc van Maarseveen, maar de Hoge Raad oordeelde afwijzend en vond dat de kwestie door de politiek moest worden opgelost. Een collega arbeidsrecht vertelde me dat ik nu ook geen schijn van kans zou maken omdat de rechter het belang van een instelling die aantoonbaar veel doet voor de loopbaan van jonge mensen en dat doet de universiteit, zwaarder zou wegen dan dat van een pensioengerechtigde.
Overigens heb ik er nu volledig vrede mee. De rede die ik morgen uitspreek, hoort bij een leerstoel die door een instelling buiten de universiteit is ingesteld: FORUM, Instituut voor Multiculturele Vraagstukken, en de universiteit biedt mij voor een dag in de week gastvrijheid. Verder ben ik in Utrecht uitstekend opgevolgd door prof. Dina Siegel die op haar beurt volgende week vrijdag 16 april haar oratie uitspreekt over ‘Maffia, diamanten en Mozart’. Wat wil een mens nog meer?

















Collegevoorzitter Karel van der Toorn is opeens opgestapt. Wie moet hem opvolgen?
