Weekgast Ernst van de Wetering

Ernst van de Wetering (1938) is emeritus hoogleraar kunstgeschiedenis. Sinds 1968 is hij actief in het Rembrandt Research Project, een onderzoeksproject gewijd aan de schilderijen van Rembrandt. Dat project vond vanaf het begin onderdak bij en steun van de UvA. Op 15 april neemt hij officieel afscheid.
Zaterdag 17 april
Het college is voorbij. Het ging erover hoe Rembrandt direct na zijn leertijd de schilderkunst voor zichzelf opnieuw uitvond. Ik demonstreerde dat aan een voorbeeld, de manier waarop hij de verschillende soorten licht bestudeerde in relatie tot de verschillende typen schaduwen die daarmee samenhingen. Rembrandt observeerde die effecten op een bijna wetenschappelijke manier met de bedoeling al die effecten zo natuurgetrouw mogelijk weer te geven. Dankzij een boek van een van zijn leerlingen kennen we ook de terminologie die daarbij gehanteerd werd.
De genodigden bleven allemaal zitten luisteren en kijken. Maar toen ik ze tijdens het college vroeg om even naar de werkelijkheid van licht en schaduw om hen heen te kijken zag ik maar weinig hoofden bewegen. Ze vonden het kennelijk gênant om zo iets banaals op verzoek te doen. Maar mijn garagehouder, die ik ook had uitgenodigd, zei de volgende dag opgetogen: ‘Het was net of ik na dat college ineens kon zien’. Dat klinkt overdreven. Maar wie denkt dat het plafond boven z’n hoofd effen wit is – zoals de meeste plafonds – en dan probeert te beschrijven wat hij ziet aan schakeringen in toon, licht, gereflecteerd licht en kleurnuances, die zou wel eens diezelfde sensatie kunnen hebben. De geschiedenis van de kunst gaat grotendeels over dat soort ontdekkingen, die door kunstenaars als heel opwindend werden ervaren en die ons anders naar de wereld hebben doen kijken zoals vele andere wetenschappen dat ook hebben gedaan.
Vrijdag 16 april
Maar wil ik nu beweren dat het meest net-echte schilderij ook automatisch het mooiste is? Nee natuurlijk! En daar heb je het mysterie van de kunst. Op de een of andere manier is het de kwaliteit van de maker die de doorslag geeft. Op geheimzinnige manier voelen we de intensiteit, persoonlijke gedrevenheid en creatieve kracht van iemand die vorm geeft aan de werkelijkheid op zo’n manier dat we door die geschilderde illusie getroffen worden, hoe precies of schetsmatig, decoratief of symboolgeladen die ook verbeeld is. (afbeelding 5)
Misschien is het nóg anders en gaat het ook om de manier waarop wij (de kijkers of lezers) ons zelf opgenomen voelen in de illusionistische werkelijkheid die een kunstenaar schept. Ieder voor zich ondergaat dat op zijn eigen manier. Wij zelf zijn, terwijl we kijken – ieder voor zich – medeschepper van het kunstwerk en zullen nooit precies weten hoe een ander hetzelfde kunstwerk beleeft en beoordeelt. Dat is allemaal mogelijk zolang we mekaar maar niet het 20e eeuwse taboe op schilderkunstig illusionisme aanpraten.

Donderdag 15 april
In de tijd van de Franse schilder Paul Gauguin (1848 – 1903) (waaraan op het ogenblik een mooie en interessante tentoonstelling in het Van Gogh Museum gewijd wordt) vonden de jonge schilders dat schilderijen geen rechthoekige ramen meer mochten zijn, waardoor je een net-echt stukje werkelijkheid zag, zoals bijvoorbeeld bij de hierboven afgebeelde schilderijen. Dat was geen kunst, vonden zij, maar moeizaam met het penseel vervaardigde fotografie. Deze opstand tegen de traditionele schilderkunst heeft geresulteerd in een eeuw waarin elkaar opvolgende avant garde bewegingen steeds abstractere schilderijen maakten.
Maar, terwijl Mondriaan zijn rood, geel, blauwe vierkanten en rechthoeken schilderde, schiepen Slauerhoff, Thomas Mann, Franz Kafka, William Faulkner en vele andere schrijvers reusachtige ‘vensters’, hun boeken, waardoor de aangewakkerde verbeeldingskracht van de lezer werd gestimuleerd om in hun geestesoog een nauwkeurig beschreven, bewegende werkelijkheid te zien, want ook de literatuur is een imiterende kunst. Terwijl Mondriaan z’n abstracties schilderde werden bovendien toneelstuk na toneelstuk en film na film gemaakt en vertoond. En die waren bedoeld de kijker en de luisteraar het gevoel te geven dat ze de werkelijkheid meebeleefden.
Alleen in de geschiedenis van de schilderkunst is een tabu op het illusionisme ontstaan dat zo sterk was dat je bang moest zijn voor gek te staan als je over het net-echte licht in Rembrandts schilderijen praatte.
Woensdag 14 april
Tijdens m’n afscheidscollege over Licht en Schaduw bij Rembrandt zal ik vertellen over zijn niet aflatende pogingen om licht zo echt mogelijk weer te geven. Ik weet zeker dat ik tijdens het praten overmand zal worden door de angst dat de luisteraars zullen denken: ‘ik kwam toch voor een college over kunst, maar dit gaat over gezichtsbedrog, over net echte plaatjes.’
Misschien zal ik mijn toehoorders dan uitnodigen om niet alleen naar mijn plaatjes te kijken maar zo nu en dan ook naar de ruimte waar ze zich zelf bevinden. Daar zijn overal andere, veranderende lichteffecten te zien zijn die ons in het dagelijkse leven niet opvallen. We kijken in de regel vooral naar mensen en dingen – en niet naar het licht dat deze zichtbaar maakt. Licht dat daarbij op een moeilijk te begrijpen manier door de ruimte dwaalt. Daar letten tegenwoordig alleen nog fotografen en toneelbelichters op. In de 17de eeuw keken ook Rembrandt, en bijvoorbeeld Johannes Vermeer, er op onderzoekende manier naar. En, kunstliefhebbers uit Rembrandts tijd waren bijvoorbeeld vol bewondering als deze het voor elkaar kreeg om een lezende jongen, misschien zat zijn zoon Titus daarvoor model, zo te schilderen dat diens gezicht zowel door schuin van achteren invallend licht zichtbaar wordt als door licht dat terugkaatst van de (onzichtbare) bladzijden van het boek dat hij vasthoudt. Geen snapshot dus van Rembrandts familieleven maar toveren met geschilderd net-echt, licht.
Dinsdag 13 april
In mijn jonge jaren was er in Nederland maar één schilderij waarbij je je niet onsterfelijk belachelijk maakte als je uitriep ‘Het is net echt!’. Dat was het Panorama Mesdag – dat reusachtige cilindrische schilderij waar je midden in staat met om je heen de zee, het strand met vissersboten, de duinen en het dorp Katwijk , gezien vanaf een duin met echt zand en van onder een echt, parasol-achtig dak. In Rembrandts tijd werd kunstliefhebbers aangeraden bij de aanblik van èlk geslaagd schilderij, wat er ook op stond, tegen de schilder of tegen elkaar te zeggen (en nu volgen uit een 17de eeuwse handleiding voor kunstliefhebbers twee voorbeelden van lof prijzende woorden voor schilderijen) :
‘Dat is geen schilderij, dat is de werkelijkheid zelf; en die mensen kijken naar de beschouwer van het schilderij, met zo’n natuurlijke blik dat je zou zweren dat ze leven.’
of
‘Zie je die geschilderde vissen? Jeetje, ze zouden wegzwemmen als je er water op gooide!’

Maandag 12 april
Donderdag 15 april om 15 uur geef ik mijn openbare afscheidscollege in de Aula van de Universiteit van Amsterdam. Het college is getiteld Molens hebben kleine raampjes. Licht en schaduw bij Rembrandt.
Molens? Raampjes?
Men heeft zich lang voorgesteld dat Rembrandts veelbesproken Clair-obscur uit zijn biografie te verklaren zou zijn. Zijn vader was molenaar en het lag daarom voor de hand dat de jonge Rembrandt zijn eerste atelier in diens molen had. Molens hebben kleine raampjes. De smalle, schijnbaar extra sterke lichtbundel die door zo’n raampje in de duisternis van de molen valt zou Rembrandt tot zijn ongewone behandeling van licht en schaduw hebben gebracht.
Deze theorie werd rond 1850 afgelost door de gedachte dat Rembrandts karakteristieke behandeling van licht en schaduw te verklaren zou zijn uit zijn hoogst eigen genie. Men zag er toen dus een vorm van zelfexpressie in, Rembrandts eigen ‘stijl’. Tijdens mijn afscheidscollege zal ik Rembrandts denkwereld rond licht en schaduw trachten te reconstrueren aan de hand van 16de- en 17de-eeuwse ideeën op dit gebied.
Rembrandt heeft zelf nauwelijks iets over zijn ideeën over de schilderkunst opgeschreven. Om greep op zijn ideeën te krijgen moet je eerst de vraag stellen: Hoe verhielden zich in Rembrandts tijd Kunst en werkelijkheid zich tot elkaar en hoe is dat nu?


















Collegevoorzitter Karel van der Toorn is opeens opgestapt. Wie moet hem opvolgen?
