
Binnen de jonge multi-etnische populatie in Nederland bestaan verschillen in de kwaliteit van medische zorg. Ook tussen kinderen van allochtone en autochtone herkomst bestaan verschillen.
Dit schrijft Nathalie Urbanus-van Laar in haar proefschrift Ethnic inequalities in quality of care for children in the Netherlands, dat zij deze week verdedigt. Om de ongelijkheid in de zorg aan te pakken stelt Urbanus voor in de medische opleidingen meer aandacht te schenken aan het ontwikkelen van culturele competenties van studenten en aan het zodanig opleiden van ouders en patiënten van allochtone herkomst dat ze in staat zijn informatie over gezondheid en gezondheidszorg te begrijpen en te interpreteren.
Urbanus heeft zich voor haar onderzoek vooral gericht op etnische verschillen ten aanzien van de continuïteit van zorg, de tijdigheid van zorg en de adequaatheid van zorg. Zij heeft daarbij gebruik gemaakt van grote databestanden die al eerder waren samengesteld ten behoeve van andere studies, waarbij zij zich heeft geconcentreerd op een drietal ziektebeelden bij kinderen tussen 0-19 jaar van niet-westers herkomst in vergelijking tot eenzelfde groep kinderen van autochtone afkomst. Het gaat om kinderen met een verdenking op een lui oog, suikerziekte of astma.
Van alle kinderen waarvoor door een arts van het consultatiebureau was vastgesteld dat er mogelijke sprake was van een lui oog, werd 45 procent niet gezien door een oogarts. Vooral onder Turkse en Marokkaanse kinderen was de kans op continuïteit van zorg het kleinst. In vergelijking met deze groep ontvingen autochtone kinderen twee keer zo vaak continue zorg.
Met betrekking tot de tijdigheid van zorg keek Urbanus naar het moment van diagnosestelling van suikerziekte. Ze komt tot de conclusie dat bij niet-westerse allochtone kinderen suikerziekte gemiddels later wordt herkend dan bij autochtone kinderen, waarbij voorla Turkse en Antilliaanse kinderen achterop lopen.
Een groot aantal kinderen met astma dat onder behandeling is van een huisarts, worden niet behandeld volgens de geldende richtlijnen. ‘Een kwart van alle kinderen ontving geen kortwerkende luchtwegverwijder, terwijl elk kind met astma dit volgens de richtlijnen in bezit zou moeten hebben’, schrijft Urbanus. Tweederde van de kinderen met lichte astmaklachten ontvangt te zware medicatie en eenderde van de kinderen met matige astmaklachten ontvangt te lichte of te zware medicatie. Marokkaanse en Turkse kinderen met matige astmaklachten hebben bovendien een grote kans om te lichte medicatie te ontvangen. Urbanus stelt voor om de etnische herkomst van patiënten routinematig te registreren. Het elektronische ‘kinddossier’, dat mogelijk per 1 januari 2008 wordt ingevoerd, kan daarbij volgens haar van dienst zijn. (DW)
Ingedeeld in: Wetenschap,
Geplaatst op 16-01-2007 00:00
Gerelateerde artikelen

















Collegevoorzitter Karel van der Toorn is opeens opgestapt. Wie moet hem opvolgen?
