Foto: Bram Belloni
actueel

‘Ik heb het gewoon liever over mijn onderzoek dan over mijn gender’

Steffi Weber,
15 juni 2017 - 09:01

Vraag de Amerikaanse alles over zwarte gaten, sciencefiction, hoger onderwijs en de maatschappelijke rol van de academicus – maar begin alsjeblieft niet over het glazen plafond, want dat onderwerp vindt ze absoluut niet interessant. De nieuwe – en eerste vrouwelijke – UvA-hoogleraar astronomie Sera Markoff is van mening dat het gebrek aan vrouwen in haar vakgebied een typisch Nederlands probleem is: ‘In andere landen speelt het veel minder, maar hier lijkt de tijd te hebben stilgestaan.’

Sterrenkundige Sera Markoff is sinds eind mei UvA’s eerste vrouwelijke hoogleraar astronomie, maar daar wil ze het liever niet over hebben. Over het ‘vrouwenonderwerp’ dan. Daar wordt de Amerikaanse nogal moe van. ‘Het is een obsessie in Nederland,’ schrijft ze al in de eerste mail. Als het aan Markoff ligt, praat ze het liefst over haar onderzoek naar zwarte gaten en de toekomst van het universum. En daarover valt ook zeker het een en ander te vertellen.

 

Markoff bekleedt sinds vorige maand een nieuwe leerstoel aan het Anton Pannekoek Instituut voor Sterrenkunde van de UvA. Ze onderzoekt zwarte gaten en is bijzonder geïnteresseerd in zogeheten ‘plasma-jets’, fonteinen van extreem energieke deeltjes en magnetische velden die door zwarte gaten worden uitgestoten. Fonteinen zijn een miljard keer groter dan het zwarte gat waar ze uit voortkomen en kunnen groter worden dan het hele melkwegstelsel.

 

Maar ook Sera Markoff (1971) zelf biedt meer dan genoeg stof voor een gesprek. De 46-jarige wilde eigenlijk ‘iets met kunst’ doen voordat ze dankzij sciencefiction in de astronomie belandde. En, oh ja, ze studeerde niet alleen op het prestigieuze Massachusetts Institute of Technology, maar heeft er ook voor gezorgd dat er op 21 april 1990 een destijds nog onbekend bandje uit Aberdeen, Washington een optreden gaf in de kelder van een studentenflat op de campus. Het bandje verwierf niet veel later enige faam onder de naam Nirvana. ‘Studenten vinden me ontzettend cool als ik dat vertel.’

‘Ik word er een beetje moe van. In Nederland stellen mensen vrijwel altijd eerst de vrouwenvraag’

Toch eerst even over de vrouwenkwestie. Waarom wil je het daar niet over hebben?

‘Ik word er een beetje moe van. In Nederland stellen mensen vrijwel altijd eerst de vrouwenvraag. In andere landen speelt dat thema minder. Nou is daar natuurlijk het probleem ook minder groot.’

 

Waarom stoort het je?

‘Ik heb het gewoon liever over mijn onderzoek dan over mijn gender. Ik zit toch ook niet de hele dag te denken “Hé, ik ben een vrouw. Wow!” [Lacht]. De focus op mijn geslacht leidt af van mijn wetenschappelijke prestaties. Je kunt het ook te veel benadrukken, dan krijgen mensen de indruk dat ik alleen zo ver gekomen ben omdat ik een vrouw ben, wat niet waar is.’

 

Zie je het verschil tussen Nederland en andere landen ook daadwerkelijk?

‘Het is een feit. Op het gebied van vrouwen in de wetenschap doet Nederland het slechter dan bijna alle andere Europese landen, behalve misschien Duitsland. Op hogere posities zie je vooral mannen. Of vrouwen uit het buitenland. Je merkt het al bij de scholieren en de bachelorstudenten in de natuur- en sterrenkunde, de verhoudingen veranderen niet. In de meeste Europese landen is tegenwoordig zelfs in de bètawetenschappen een flink percentage vrouw. Als ik hier voor een klas sta met derdejaarsstudenten, ligt het percentage vrouwen onder de tien procent. Zo lagen de verhoudingen toen ik student was in de VS dertig jaar geleden. Ondertussen is dat op veel plekken veranderd, maar hier lijkt de tijd stil te staan. Maar goed, nu gaat het tóch weer over vrouwen.’

‘Ik heb het gevoel dat sommige studenten aan de UvA niet waarderen wat ze hebben’

Je hebt op een Amerikaanse Ivy League universiteit gestudeerd, waarin verschilt het MIT van de UvA?

‘Dat is lastig te vergelijken. Het heeft ook te maken met cultuur. In de VS heerst een zeer competitieve cultuur, ook op de universiteiten. Als je vwo hebt, mag je hier automatisch naar een universiteit, in de VS moet je voor elke universiteit apart toelating doen. De studentenpopulatie aan de UvA is qua academisch vermogen veel heterogener dan in Amerika. Hier zitten studenten die qua niveau aan een van de Amerikaanse topuniversiteiten hadden kunnen studeren naast medestudenten die daar waarschijnlijk niet zouden worden toegelaten. [Lacht].

Bij het MIT heeft die selectie al plaatsgevonden, de sfeer is competitief en erg stimulerend. Ik vond het geweldig. Iedereen was geestdriftig, er gebeurde van alles. Ik was altijd al geïnteresseerd in muziek en hoorde bij een groepje dat concerten organiseerde op de campus. We hebben Nirvana naar het MIT gehaald, in 1990, toen ze nog niet bekend waren. Ze kregen 1.000 dollar voor het optreden in de kelder van het ”Senior House”. We hadden er een toptijd maar tegelijkertijd werkten we ontzettend hard. Iedereen zette zich volop in. Misschien is dat wel een verschil met de UvA. Ik heb het gevoel dat sommige studenten hier niet waarderen wat ze hebben. Logisch, ze hoefden er ook niets voor te doen. Ze kregen alles gratis. Sommigen lijken minder gemotiveerd dan de MIT-studenten.’

Foto: Bram Belloni
Sera Markoff was zo'n fan van sciencefiction dat ze in de astronomie belandde.

Waarom heb je voor de UvA gekozen?

‘Op het gebied van onderzoek behoort de UvA in mijn vakgebied tot de beste ter wereld.’

 

 

Je officiële functieomschrijving luidt hoogleraar theoretische hoge-energie astrofysica. Wat is je standaardriedeltje op feesten en partijen als mensen je vragen wat je voor werk doet?

‘Het ligt eraan wie het vraagt. Als ik met de persoon wil praten, zeg ik dat ik astronoom ben. Anders zeg ik fysicus. Ik doe het allebei, maar mijn vakgebied can turn people off. Daar willen ze meestal niets over horen. Tegen wie het wel wil horen vertel ik dat ik zwarte gaten onderzoek. Dat zijn objecten in de ruimte van enkele tientallen kilometer doorsnee die vele malen zwaarder wegen dan onze zon, en een extreem sterke zwaartekracht uitoefenen. Zo sterk, dat zelfs licht er niet aan kan ontsnappen, vandaar de naam zwart gat. Ik werk aan studies over uiteenlopende onderwerpen, maar mijn focus ligt op zwarte gaten omdat ze het beste kosmische laboratorium zijn voor extreme fysica. Ik probeer te ontdekken hoe ze precies werken en wat hun invloed is op hun omgeving.

De meeste mensen denken bij zwarte gaten aan een soort kosmische stofzuiger, maar tegelijkertijd zijn het ook motoren. Veel van het opgeslokte materiaal wordt weer uitgespuwd. Dat kan dramatische vormen aannemen, bij zogeheten jets bijvoorbeeld, dat zijn enorme uitbarstingen van gemagnetiseerd plasma die nagenoeg de snelheid van het licht bereiken. Dat proces is honderd keer efficiënter dan een nucleaire fusie, de energie die erbij vrijkomt is zes keer groter dan de straling van de zon. Dat heeft enorme invloed op de omgeving van zo’n zwart gat. Zo kunnen zwarte gaten de groei van de omliggende sterrenstelsels verhinderen. Er heerst een soort van cosmic feedbackcycle, maar hoe die er precies uitziet, weten we nog niet.’

‘Als de mensheid wil overleven, moeten we buiten onze planeet treden. We zullen moeten kolonialiseren. In mijn vrije tijd lees ik ontzettend graag over dit soort onderwerpen. Ja, ik ben nog steeds vrij geeky’

Je zei eerder dat je beide doet: astronomie en fysica. Hoe bedoel je dat?

‘Het astronomiegedeelte is de observatie. De zwarte gaten zelf kun je niet zien omdat ze dus licht opslokken. Maar met telescopen kun je wel het materiaal zien dat ze aantrekken, en de straling die ze uitstoten. Het observeren van zwarte gaten is trouwens een grootschalige internationale onderneming. Ze stoten licht uit over bijna het gehele elektromagnetische spectrum. Van radio- tot gammastraling maar ook deeltjes als ionen en neutrino’s. Je moet diverse telescopen gebruiken want ieder instrument werkt maar voor een bepaalde frequentie. Die telescopen staan over de hele wereld verspreid. In Nederland staat er ook een, de radiotelescoop Lofar in Dwingeloo. Om te meten hoe een zwart gat zich gedraagt en welke invloed dat heeft op zijn omgeving, moeten al die telescopen tegelijkertijd op het zwarte gat gericht staan, alleen dan kun je zien wat er verandert.

Ik besteed veel tijd aan het coördineren van dit soort observatiesessies. De observatie, het verzamelen van data, dat is het astronomiegedeelte. Het natuurkundegedeelte gaat over modellen aan de hand van die data. Dat is een beetje mijn specialiteit, ik maak computersimulaties van het licht dat de zwarte gaten uitstoten. De modellen vergelijken we dan weer met de data die we met telescopen verzamelen.’

‘Als ik met een persoon op een feestje wil praten, zeg ik dat ik astronoom ben. Anders zeg ik fysicus’

Wat is je belangrijkste onderzoek op dit moment?

‘Het belangrijkste is het begrijpen hoe zwarte gaten materiaal omzetten in energie die ze dan weer vrijlaten. Alleen dan kunnen we hun invloed berekenen. We weten daar eigenlijk nog heel weinig over, terwijl het ontzettend belangrijk is als we willen weten hoe ons universum zich heeft ontwikkeld sinds de oerknal en hoe het er in de toekomst uit zal zien.

Dat zwarte gaten de vorm en de ontwikkeling van sterrenstelsels beïnvloeden, dat weten we. Kosmologen nemen dat gegeven ook mee in hun modellen over de ontwikkeling van het universum, alleen weten we dus nog helemaal niet hoe die invloed van zwarte gaten er dan uitziet. Ze bouwen hun modellen op basis van te simplistische weergaven van zwarte gaten, die wellicht helemaal geen recht doen aan de werkelijkheid. Ik ben bang dat we daardoor een verkeerd idee krijgen van de kosmos, dat sommige delen van the big picture niet kloppen.

Maar theorieën veranderen. Ook hier aan de UvA zijn mensen bezig met alternatieve theorieën over donkere materie bijvoorbeeld. Ik ben erg benieuwd, ik denk niet dat het verhaal ten einde is.’

 

Hoe ben je in dit vakgebied terechtgekomen?

[Markoff wijst naar een boekenkast in haar werkkamer die vol staat met scifi-prullaria: een geweer van de aliens in Disctrict 9, Archie, het ruimteschip uit de graphic novel The Watchmen, actionfiguren van Hellboy, The Chronicles of Riddick, Kick-Ass en nog veel meer.] ‘Stripboeken en scifi. Ik ben de enige wetenschapper in onze familie en kom niet uit een hoogopgeleid milieu. Ik was vroeger ook helemaal niet bezig met astronomie of fysica, ik was meer geïnteresseerd in kunst. Maar ik heb ontzettend veel gelezen als kind, ook sciencefiction, schrijvers als Madeleine L’Engle waren van grote invloed op mij toen ik klein was. Die waren toen al bezig met theorieën als ruimtetijd en krommingen in ruimtetijd. Scifi-fans hebben dit soort concepten als achtergrond, ook al worden ze in de literatuur lang niet altijd accuraat beschreven. Scifi wordt wat dat betreft wel beter, trouwens. Maar toen ik het las was het voornamelijk weird stuff.

Maar goed, MIT was eigenlijk een last-minutebesluit. Ik had nooit verwacht dat ik zou worden toegelaten. Ik was altijd al goed in wiskunde maar ik was van plan om een kunstopleiding te gaan doen. Ik schilderde, fotografeerde en maakte glas-in-loodwerk. Maar ik realiseerde me dat ik, als ik in de wetenschap zou falen, altijd nog terug kon naar de kunst. Andersom zou een stuk lastiger zijn. Toen ik werd aangenomen aan MIT, wist ik meteen dat ik astrofysica wilde doen en zwarte gaten wilde onderzoeken; ik vond ze ontzettend fascinerend. Dat vind ik nog steeds. Het is nogal opwindend om te werken aan iets op de grens van het menselijke begrip.’

Foto: Bram Belloni

Kijk je door je onderzoek anders aan tegen de wereld aan?

‘Dat heeft waarschijnlijk elke wetenschapper die onderzoek doet naar iets dat groter is dan de mensheid. Voor mij is onze planeet slechts een van miljoenen en waarschijnlijk niet eens een bijzonder speciale. Ik weet dat we piepklein zijn in dit gigantische universum. We zijn maar een soort, een van de vele. Door mijn liefde voor scifi denk ik graag na over de langetermijntoekomst van de mensheid. Onze zon zal niet voor altijd blijven bestaan, dan heb ik het wel over biljoenen jaren, maar als de mensheid wil overleven, moeten we buiten onze planeet treden. We zullen moeten kolonialiseren. In mijn vrije tijd lees ik ontzettend graag over dit soort onderwerpen. Ja, ik ben nog steeds vrij geeky.’

 

Je bent een druk persoon. Naast onderzoek en onderwijs heb je bestuursfuncties, doe je educatieve projecten met kinderen en hou je lezingen en rondleidingen voor publiek in de koepel van het Anton Pannekoek Instituut.

‘Als wetenschapper word ik door de overheid betaald en heb ik daarom een verantwoordelijkheid tegenover de samenleving. Ik vind het onze taak om het publiek over wetenschap te informeren. Interactie tussen de universiteit en de burgers is ontzettend belangrijk. De ivoren toren is een slecht idee. Daarom engageer ik me zo veel mogelijk met de samenleving. Ik ben al begonnen met projecten met basisscholieren hier in Nederland. Ik wil graag nog meer doen, maar ik vind mijn Nederlands daarvoor nog niet goed genoeg. Ik spreek het wel, maar ik voel me nog niet zeker genoeg om voor een groot publiek een praatje te houden over wetenschap. Laat staan om op tv te komen. Ik ben bang dat door mijn gebrekkige Nederlands de boodschap niet goed overkomt.’

 

Welke boodschap zou je dan willen overbrengen?

‘Misschien is dat wel het probleem. Ik ben geen soundbitepersoon. Ik ben geen natuurtalent voor een camera. Ik ben een diepe denker met de neiging tot filosoferen. Ik voel totaal niet de drang om in de spotlights te staan, maar ik heb het gevoel dat ik dat meer zou moeten doen. Juist hier in Nederland, omdat mensen hier niet veel vrouwelijke wetenschappers te zien krijgen.

Maar ook omdat veel Nederlanders geen idee hebben wat er hier allemaal gaande is in de wetenschap, wat voor toffe dingen hier gebeuren. De meeste Nederlanders die ik ontmoet begrijpen niet wat ik hier doe. ‘Waarom zou je uitgerekend hierheen komen?’ vragen ze dan. Ze zijn zich er absoluut niet van bewust hoe goed de Nederlandse wetenschap is.

Dat is toch jammer! En dat valt volgens mij ook de media hier te verwijten. They’re clearly not spreading the news. Volgens mij denken de media dat het de mensen niet interesseert, maar iedereen die ik ontmoet – niet alleen hoogopgeleiden – vind het interessant wat er in hun land gebeurt. Ze zijn er graag trots op. Dus, ja, dat zou ik graag willen vertellen. Ik heb dan wel eerst nog wat taaltraining nodig.’